E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/3571 + 05/3363 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. E.A.M. Ammerlaan, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 juni 2003, nummer AWB 01/1415 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 27 april 2005 heeft gedaagde een besluit van diezelfde datum ter kennis van de Raad gebracht, waarbij gedaagde heeft besloten appellante met ingang van 2 oktober 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% toe te kennen. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 26 juli 2005, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Bij besluit van 2 mei 2001, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een eerder genomen besluit van 4 september 2000 waarbij appellante met ingang van 2 oktober 2000 een uitkering ingevolge de WAO is geweigerd. Daartoe is in het bestreden besluit overwogen dat appellante na afloop van de wachttijd van 52 weken op 2 oktober 2000 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is, aangezien zijn met voor haar geselecteerde functies een zodanig inkomen kan verdienen dat haar verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. De gemachtigde van appellante heeft tijdens de procedure bij de rechtbank een rapport van 21 mei 2002 van de revalidatiearts dr. R.M. van Mechelen en een aanvulling daarop van 25 juni 2002 ingezonden. Blijkens zijn rapport kan Van Mechelen zich niet verenigen met de door gedaagde vastgestelde belastbaarheid. Vervolgens heeft de orthopedisch chirurg dr. W.M. van Leeuwen als onafhankelijk en onpartijdig deskundige op verzoek van de rechtbank appellante onderzocht en daarvan onder dagtekening 25 november 2002 verslag gedaan. De deskundige Van Leeuwen heeft zich met het standpunt van gedaagde over de belastbaarheid van appellante en haar geschiktheid voor de geselecteerde functies kunnen verenigen. Nadat Van Mechelen op de inhoud van het rapport van Van Leeuwen had gereageerd is die reactie voorgelegd aan Van Leeuwen die gemotiveerd bij zijn standpunt is gebleven. De rechtbank heeft de conclusie van zijn deskundige overgenomen en geoordeeld dat appellante op de datum in geding de voor haar geselecteerde functies kan vervullen. Vervolgens is het beroep van appellante ongegrond verklaard. In hoger beroep wordt aangevoerd dat het onderzoek van Van Leeuwen niet zorgvuldig zou zijn uitgevoerd. Nadat bij brief van 9 februari 2005 was verzocht een arbeidskundige toelichting op het bestreden besluit te geven, heeft gedaagde besloten appellante alsnog met ingang van 2 oktober 2000 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, hetgeen is neergelegd in het in rubriek I vermelde besluit. Met dit besluit van 27 april 2005 is wijziging gebracht in het bestreden besluit en, omdat eerstgenoemd besluit niet geheel aan appellantes beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. Door het besluit van 27 april 2005 kan het bestreden besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. In dit geval is verzocht om vergoeding van wettelijke rente als schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb, zodat het procesbelang niet is komen te vervallen. De Raad is van oordeel dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven wegens strijd met het bepaalde in artikel 18 van de WAO, nu ten onrechte geen uitkering ingevolge de WAO is toegekend met ingang van 2 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.