E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/4100 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, op daartoe bij beroepschrift van 13 augustus 2003 aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 juli 2003 nr. AWB 2002/1433 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt, waarop de raadsman van appellant heeft gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 juli 2005, waar appellant en zijn raadsman met voorafgaand bericht niet zijn verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) te Heerlen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is op 25 mei 1999 wegens schouderklachten uitgevallen als productiemedewerker. Bij besluit van 14 augustus 2000 is hem met ingang van 23 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van 80 tot 100%. Na herbeoordeling in maart 2002 concludeerde de verzekeringsarts J.A. Nillesen dat appellant weliswaar beperkingen ondervond, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was werkzaamheden te verrichten. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige P.M.G.M. Jansen op basis van het opgestelde belastbaarheidpatroon een aantal functies geselecteerd. Na vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellant geldende maatmaninkomen, heeft hij vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen 19,43 % betreft. Bij besluit van 5 juli 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de WAO met ingang van 28 juli 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 18 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Met betrekking tot de medische grondslag van het besluit bevatten de in hoger beroep aangevoerde grieven geen nieuwe gezichtspunten. Zij kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank dat de medische beperkingen van appellant op juiste wijze zijn vastgesteld. De Raad wijst erop dat appellant geen nieuwe medische gegevens in het geding heeft gebracht en dat uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij van 13 september 2002 blijkt dat de psychische klachten en de rugklachten van appellant in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn meegewogen, zodat er geen aanleiding is voor twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De Raad merkt nog op dat hij aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand niet dat gewicht kan toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit overweegt de Raad als volgt. Appellant heeft gesteld dat hij op basis van zijn opleiding en ervaring niet kan voldoen aan de eisen die aan de geselecteerde functies zijn gesteld. Zijn inziens hebben de arbeidsdeskundigen het opleidingsniveau ten onrechte te hoog ingeschat. Naar het oordeel van de Raad treft deze grief geen doel. Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat voor de geselecteerde functies als opleidingseis is gesteld basisonderwijs, niveau 2 opleidingsniveau
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.