03/2618 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank ’s-Gravenhage op 8 april 2003 met reg.nr. AWB 02/4039 WAO gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep tegen gedaagdes besluit van 11 september 2002 ongegrond is verklaard. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 juli 2005, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Van de Wetering, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E. van Onzen, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij besluit van 10 december 1997 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 23 april 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van gelijke datum heeft gedaagde appellantes WAO-uitkering vervolgens met ingang van 5 februari 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Tegen beide besluiten heeft appellante bezwaar ingediend op de gronden dat de vastgestelde beperkingen zijn onderschat, de geselecteerde functies medisch niet geschikt zijn en sprake is van een zogeheten medische afzakker in verband waarmee de maatman ten onrechte is bepaald op de schadecorrespondente werkzaam gedurende 20 uur per week in plaats van gedurende 32 uur per week. Na aanscherping van de medische beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts bleken er niet langer theoretisch geschikte functies te zijn om de schattingen te kunnen dragen. Dientengevolge zijn bij besluit van 18 september 1998 de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 10 december 1997 gegrond verklaard en is appellante met ingang van 23 april 1997 doorlopend voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. In dit besluit is verder aangegeven dat bij separaat besluit zal worden beslist op het bezwaar tegen de vaststelling van de maatman omdat het onderzoek daarnaar nog niet is afgerond. Bij besluit van 11 september 2002 is uiteindelijk het bezwaar van appellante tegen de vaststelling van de urenomvang van de maatman ten grondslag liggend aan de primaire besluiten van 10 december 1997 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 11 september 2002 ongegrond verklaard en heeft daartoe overwogen dat voor gedaagde onvoldoende aanleiding bestond om bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per einde wachttijd uit te gaan van een maatmanomvang van 32 uur per week. Appellante is van dat oordeel in hoger beroep gekomen. De Raad overweegt het volgende. De Raad is ambtshalve van oordeel dat gedaagde door middel van het thans bestreden besluit van 11 september 2002 ten onrechte heeft beslist op het bezwaar van appellante tegen de maatmanvaststelling ten grondslag liggend aan de primaire besluiten van 10 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.