03/3954 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond onder dagtekening 16 juli 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr. 2003/183 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Door gedaagde is een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 14 juni 2004 heeft appellante de Raad nog een rapport van 11 mei 2004 van drs. M. Gielens en drs. L.M.P.G. Folkers, als psychologen verbonden aan het Laurentius Ziekenhuis Roermond, toegezonden, waarop van de zijde van gedaagde is gereageerd door middel van een rapport d.d. 23 juni 2004 van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen. Desgevraagd heeft gedaagde bij schrijven van 15 maart 2005 door middel van een rapport d.d. 1 maart 2005 van de arbeidsdeskundige H. van den Eertwegh nog een nadere toelichting op het bestreden besluit gegeven. Het geding is behandeld ter zitting van 22 juni 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.J.A. Aerts, advocaat te Roermond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten. Appellante, geboren op 27 maart 1956, is interieurverzorgster/afwashulp geweest en is op 20 juli 2001 uitgevallen wegens linkerknieklachten. Vervolgens heeft per einde wachttijd een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO). In dat verband heeft de verzekeringsarts H. Jagt op 1 juli 2002 rapport uitgebracht, waarbij hij de beschikking had over informatie uit de behandelende sector. Daarin is hij tot de conclusie gekomen dat appellante als gevolg van haar linkerknieklachten beperkingen heeft en met inachtneming van deze beperkingen heeft hij de functionele mogelijkheden van appellante vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens is de arbeidsdeskundige W.H.M. Zuurveld in zijn rapport van 25 juli 2002 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen functie, maar nog wel voor de functies van lederbewerker, naaister en machinaal metaalbewerker. Op basis van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport heeft gedaagde bij besluit van 31 juli 2002 appellante meegedeeld dat zij met ingang van 19 juli 2002 niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat zij naast lichamelijke klachten ook psychische klachten heeft en dat zij meer beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen. Zij heeft onder meer gewezen op een haar in 1972 overkomen ongeval, waarbij haar linkerknie is verbrijzeld. Ter ondersteuning van haar standpunt dat zij meer beperkingen heeft, heeft zij een rapport d.d. 25 november 2002 van de orthopedisch chirurg H.A.G.M. Sala overgelegd. De in rubriek I genoemde bezwaarverzekeringsarts Tjen is in zijn rapport van 10 december 2002 onder meer tot de conclusie dat er bij appellante geen sprake is van psychisch decompenseren. Hij heeft in dit rapport de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven en heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van de in de FML beschreven beperkingen. In overeenstemming met dit rapport heeft gedaagde bij besluit van 3 januari 2003 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. In beroep heeft appellante dezelfde grieven aangevoerd als in bezwaar. Ter ondersteuning van haar grieven heeft zij nog een verklaring d.d.10 februari 2003 van orthopedisch chirurg dr. T. Sijbesma ingebracht. Tevens heeft zij nog een rapport d.d. 16 april 2003 van de revalidatiearts H.F.M. Pernot ingebracht, waarop van de zijde van gedaagde is gereageerd door middel van een nader rapport d.d. 20 mei 2003 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts Tjen. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante haar grieven herhaald, waarbij zij, ter ondersteuning van haar standpunt dat zij ook psychische beperkingen heeft, het in rubriek I vermelde rapport d.d. 11 mei 2004 heeft overgelegd. De Raad overweegt als volgt. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelende sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat deze artsen geen zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellante. De van de zijde van appellante ingebrachte rapporten van de orthopedische chirurgen Sala en Sijbesma, de revalidatiearts Pernot en de psychologen Gielens en Folkers hebben de Raad niet tot de overtuiging kunnen brengen, mede gezien de reacties van de zijde van de (bezwaar)verzekeringartsen op deze rapporten, dat gedaagde de beperkingen van appellante onjuist heeft vastgesteld. De Raad is dan ook tot de conclusie gekomen dat gedaagde de belastbaarheid van appellante niet heeft overschat. Dit betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. Voorts stelt de Raad vast dat de onderhavige schatting tot stand is gekomen met toepassing van het zogenaamde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In dat verband verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJ-nummers AR4716, AR4717,AR4718, AR4719, AR4721 en AR
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.