04/1424 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde. I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 februari 2004, reg.nr. SBR 03/173. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 9 augustus 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Enoch, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellant ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Op 18 januari 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 december 2001 opgeschort op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek van gedaagde om de inkomstenverklaring over de maand december 2001 volledig ingevuld voor 17 januari 2002 in te leveren. Daarbij heeft gedaagde appellant in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Appellant is in gebreke gebleven de gevraagde verklaring in te leveren. Dit heeft gedaagde ertoe gebracht om bij besluit van 25 januari 2002 met toepassing van artikel 69, vierde lid, van de Abw het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 december 2001 in te trekken. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij in verband met een operatie in Duitsland niet in staat was om de inkomstenverklaring binnen de hersteltermijn in te leveren. Ter ondersteuning van die stelling heeft hij een medische verklaring overgelegd. Blijkens deze verklaring was appellant van 7 januari 2002 tot en met 17 januari 2002 opgenomen in het Marienhospital te Bochum in Duitsland en heeft hij dat ziekenhuis vervolgens op 21 januari 2002 en 23 januari 2002 bezocht voor nabehandelingen. Bij besluit van 3 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 januari 2003 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij de eerder aangevoerde gronden herhaald en daaraan toegevoegd dat hij eerst na de laatste behandeling op 23 januari 2005 naar Nederland is teruggekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De intrekking van het recht op bijstand berust op toepassing van artikel 69, vierde lid, van de Abw. Die bepaling verplicht gedaagde tot intrekking met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn. Volgens vaste rechtspraak staat in het kader van de toetsing van een besluit op grond van artikel 69, vierde lid, van de Abw uitsluitend ter beoordeling of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.