04/748 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. C.M.E.F. Theuns, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam onder kenmerk 03/1231-FRC op 7 januari 2004 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant heeft mr. E.J. Bonnist, kantoorgenoot van mr. Theuns, de gronden van het hoger beroep nader aangevuld. Het geding is behandeld ter zitting van 20 juli 2005, waar appellant, met bericht, niet is verschenen terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel, medewerker bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellant, geboren in 1957, was vanaf 1 februari 1978 tot 1 januari 1999 werkzaam als technicus/verkoper bij [naam bedrijf], het bedrijf van zijn vader. Per die laatste datum heeft gedaagde appellant in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Nadat aan appellant een zogenoemde oriëntatieperiode is gegund, is appellant per 11 mei 1999 volgens eigen opgave gedurende 8 uur per week werkzaamheden als zelfstandige gaan verrichten. Naar aanleiding van een onderzoek naar de werkzaamheden van appellant, is door de Opsporingsdienst Regio Zuid-West van gedaagde op 15 oktober 2001 een rapport opgesteld. Uit informatie die van de Belastingdienst was ontvangen, bleek dat appellant over de jaren 1999 en 2000 de zogenoemde zelfstandigenaftrek van 1225 uur per jaar had genoten. Op basis daarvan heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant per week minimaal 24 uur werkzaam is geweest. Gedaagde heeft de uitkering per 4 februari 2002 beëindigd nadat feitelijk de betalingen van de WW-uitkering per 14 januari 2002 waren gestopt. Bij besluit van 12 februari 2002 heeft gedaagde de WW-uitkering per 6 januari 1999 herzien aangezien appellant vanaf die datum 24 uur per week als zelfstandige werkzaam is geweest. Bij besluit van 22 maart 2002 heeft gedaagde in verband met die herziening hetgeen onverschuldigd was betaald over de periode van 6 januari 1999 tot en met 13 januari 2002, een bedrag van € 14.756,60, van appellant teruggevorderd. Tegen beide besluiten heeft appellant bezwaren ingediend. Gedaagde heeft bij besluit van 11 juli 2002 de bezwaren tegen het besluit van 12 februari 2002 niet-ontvankelijk verklaard in verband met een niet verschoonbare termijn-overschrijding. De bezwaren tegen het besluit van 22 maart 2002 heeft gedaagde daarbij ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het besluit van 11 juli 2002 geen rechtsmiddelen aangewend. Op 17 januari 2003 heeft gedaagde door tussenkomst van de officier van justitie informatie ontvangen van de Belastingdienst. Uit die informatie is gebleken dat appellant vanaf week 29 van 1999 niet gedurende 24 uur, maar gedurende 39.2 uur per week werkzaam was. Naar aanleiding van die informatie heeft gedaagde bij besluit van 21 januari 2003 andermaal de toekenning van de WW-uitkering per 6 januari 1999 herzien in die zin dat appellant van 6 januari 1999 tot en met 18 juli 1999 over 24 uur per week geen recht had op een WW-uitkering en dat appellant vanaf 19 juli 1999 tot en met 3 februari 2002 in het geheel geen recht had op een WW-uitkering in verband met de door hem verrichte werkzaamheden als zelfstandige. Bij besluit van 22 januari 2003 heeft gedaagde de onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 19 juli 1999 tot en met 3 februari 2002, voor zover nog niet begrepen in de terugvorderingsbeslissing van 22 maart 2002, ten bedrage van € 14.869,53 teruggevorderd. De tegen deze besluiten gerichte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 31 maart 2003 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank, voor zover dat zag op de herziening van het WW-recht over de periode van 6 januari 1999 tot en met 18 juli 1999, gegrond verklaard, aangezien gedaagde reeds bij het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 11 juli 2002 op een identieke wijze over die herziening had beslist, zodat het bestreden besluit in dat opzicht niet op rechtsgevolg was gericht. Naar het oordeel van de rechtbank had gedaagde appellant wat dat betreft in zijn bezwaren niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft in hoger beroep bestreden dat het besluit van 21 januari 2003 niet was gericht op rechtsgevolg voor zover dat zag op de periode van 6 januari 1999 tot en met 18 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.