03/4227 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage onder dagtekening 8 juli 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr. AWB 02/4618 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 20 november 2003 heeft gedaagde de Raad nog een reactie d.d. 18 november 2003 doen toekomen van de bezwaarverzekeringsarts M. Keus op een bij het beroepschrift gevoegde verklaring d.d. 11 maart 2003 van de behandelend psychiater V.J.A. Buwalda van de Robert-Fleury Stichting. Desgevraagd heeft gedaagde bij schrijven van 25 januari 2005 door middel van een rapport d.d. 19 januari 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon nog een nadere toelichting op het bestreden besluit gegeven. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 juli 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer en Wassenaar. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders. II. MOTIVERING Appellant, geboren [in] 1968, is monteur geweest bij een telecommunicatiebedrijf en is op 5 juli 2001 na een auto-ongeval uitgevallen wegens nek- en schouderklachten (whiplash). Vervolgens heeft per einde wachttijd een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In dat verband heeft de verzekeringsarts A.J.D. Versteeg op 6 mei 2002 rapport uitgebracht. Nadat deze verzekeringsarts informatie had verkregen van de behandelend psychiater M.E.J. Mansveld, eveneens werkzaam bij de in rubriek I vermelde stichting, heeft hij op 12 juni 2002 nogmaals rapport uitgebracht. Hij is tot de conclusie gekomen dat appellant is aangewezen op werk waarin meestal weinig of geen rechtsreeks contact met klanten is vereist. Met inachtneming van deze beperking heeft hij de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een zogeheten Functionele MogelijkhedenLijst (FML). Vervolgens is de arbeidsdeskundige R. Maassen in zijn rapport van 12 juli 2002 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor onder meer de functies van graafmachinebestuurder, gereedschapsmaker en chauffeur heftruck. Op basis van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschikt-heid vastgesteld op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport heeft gedaagde appellant bij besluit van 17 juli 2002 meegedeeld dat hij na afloop van de wachttijd niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij als gevolg van zijn whiplashklachten meer beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij nog een nadere verklaring d.d. 2 april 2002 van voornoemde psychiater Mansveld ingebracht. Op 11 oktober 2002 heeft de in rubriek I genoemde bezwaarverzekeringsarts Keus rapport uitgebracht. Nadat appellant nog meer informatie uit de behandelende sector had ingebracht, heeft Keus op 28 oktober 2002 nogmaals rapport uitgebracht. Ten aanzien van de belastbaarheid van appellant is hij niet tot een andere conclusie gekomen dan de primaire verzekeringsarts. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 7 november 2002, in overeenstemming met deze rapporten, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. In beroep heeft appellant ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen, naast de reeds in bezwaar ingebrachte informatie uit de behandelende sector, nog een verklaring d.d. 11 maart 2003 van de in rubriek I genoemde psychiater Buwalda ingebracht. Tevens heeft hij nog een verklaring d.d. 1 april 2003 van de gemeente Zoetermeer overgelegd, waaruit blijkt dat hij voor de Algemene bijstandswet voorlopig voor de duur van 12 maanden arbeidsongeschikt wordt geacht. Op verzoek van de rechtbank heeft gedaagde bij schrijven van 20 mei 2003 gereageerd op de door appellant in beroep ingebrachte (medische) informatie. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant zijn grieven herhaald, waarbij hij nogmaals de reeds eerder in de procedure ingebrachte medische informatie heeft overgelegd. De Raad overweegt als volgt. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de fysieke en psychische klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelende sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat deze artsen geen zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant. De van de zijde van appellant ingebrachte informatie, waaronder de verschillende verklaringen van de bij de Robert-Fleury Stichting werkzame psychiaters, heeft de Raad niet tot de overtuiging kunnen brengen, mede gezien de reacties van de bezwaarverzekeringsarts Keus hierop, dat gedaagde de beperkingen van appellant onjuist heeft vastgesteld. De Raad is dan ook niet tot de conclusie kunnen komen dat gedaagde de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Dit betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. Voorts stelt de Raad vast dat de onderhavige schatting tot stand is gekomen met toepassing van het zogenaamde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In dat verband verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJ-nummers AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.