03/6136 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de erven van [betrokkene], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens [betrokkene], hierna: betrokkene is mr. W.H.B.M. Litjens, advocaat te Elst, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem op 30 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. 03/162 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Op 12 oktober 2004 is betrokkene overleden. Mr. Litjens, voornoemd, heeft de Raad bij brief van 22 december 2004 meegedeeld dat de erven de procedure voortzetten. Naar aanleiding van een vanwege de Raad gestelde vraag heeft gedaagde op 21 juni 2005 een nader stuk ingezonden. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 augustus 2005, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Betrokkene is werkzaam geweest als productiemedewerker in een betonfabriek en is op 17 oktober 1995 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens hartklachten. Met ingang van 15 oktober 1996 zijn aan betrokkene uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Met ingang van 29 oktober 1997 is de AAW-uitkering ingetrokken en is de WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Per 20 maart 2001 heeft betrokkene zich ziek gemeld wegens evenwichtsstoornissen, duizeligheidsklachten en gehoorklachten alsmede hartklachten. Op 18 maart 2002 is hij onderzocht door de verzekeringsarts H.J. Streutker, die hierover op dezelfde datum een rapport heeft uitgebracht. Hierin is vermeld dat betrokkene in verband met zijn hartklachten energetische beperkingen heeft. Voorts is vermeld dat werken met ladders, stellingen, steigers en dergelijke dient te worden vermeden evenals werken met gevaar opleverende machines. In een zogeheten Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst heeft Streutker de voor betrokkene vastgestelde beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid vastgelegd. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige K.J. Geurts functies voor hem geselecteerd. In het door Geurts op 17 april 2002 uitgebrachte rapport is aangegeven dat, gezien de loonwaarde die aan de geselecteerde functies kan worden ontleend, de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene onveranderd op 15 tot 25% moet worden gesteld. Bij besluit van 22 april 2002 heeft gedaagde aan betrokkene meegedeeld dat zijn WAO-uitkering niet wordt herzien, op de grond dat er vanaf 20 maart 2001 geen periode valt aan te wijzen van 52 weken toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat in ieder geval geldt dat hij op 18 maart 2002 voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt was. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten informatie opgevraagd bij de behandelend cardioloog van betrokkene, dr. T.E.H. Hooghoudt, die een brief van 21 mei 2002, gericht aan de huisarts, heeft toegezonden. Hierin is onder meer vermeld dat bij betrokkene sprake is van angina pectoris klasse II en dat het beeld in de loop der tijd niet is veranderd. Op 23 oktober 2002 heeft Joosten een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat, gezien de beschikbare medische gegevens, terecht is aangenomen dat betrokkene nog een duurzaam te benutten arbeidsvermogen heeft en dat de voor hem geldende medische beperkingen juist zijn vastgesteld. Op 6 december 2002 heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga een rapport uitgebracht, waarin - naar aanleiding van het door betrokkene terzake aangevoerde bezwaar - is vermeld dat de voorgehouden functie van electronicamonteur qua opleidingseis geschikt moet worden geacht. Bij besluit van 10 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard. In eerste aanleg heeft betrokkene onder meer een brief ingebracht van zijn behandelend longarts dr. W. van den Berg van 4 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.