04/484 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle onder nummer Awb 03/738 op 19 december 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2005, waar appellant is verschenen bij drs. H. ten Brinke, medewerker bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde is niet verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Gedaagde, geboren in 1963, heeft sinds 1998 voor [werkgever] (hierna: [werkgever] of werkgever) werkzaamheden als touringcarchauffeur verricht. Op 8 januari 2003 heeft gedaagde een aanvraag om een WW-uitkering ingediend. Op die aanvraag heeft gedaagde aangegeven dat het laatste dienstverband betrekking had op de periode van 1 april 2002 tot 5 januari 2003 en dat hij gedurende die periode acht uur per dag en zeven dagen per week werkte. Bij besluit van 16 april 2003 is de WW-uitkering bij wijze van maatregel ter zake van een door gedaagde gepleegde benadelingshandeling geheel geweigerd. Daartoe heeft appellant overwogen dat gedaagde mogelijk recht heeft op loondoorbetaling omdat het vermoeden bestaat dat hij een arbeidsovereenkomst met [werkgever] heeft voor 40 uur per week. Omdat gedaagde zijn werkgever niet om loondoorbetaling zou gaan verzoeken heeft gedaagde volgens appellant de WW-fondsen benadeeld. De tegen dat besluit gerichte bezwaren heeft appellant bij het besluit van 28 mei 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd dat uit het arbeidsverleden van gedaagde is opgemaakt dat hij een doorlopende arbeidsovereenkomst had en dat hem het verwijt treft dat hij van [werkgever] geen doorbetaling van het loon heeft geëist. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door gedaagde ingestelde beroep tegen dat besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat niet boven twijfel is verheven of de arbeidsovereenkomst die in april 2002 is aangegaan, geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Weliswaar liepen de overeenkomsten tussen gedaagde en zijn werkgever in januari 2000 en in januari 2001 af, maar over de tussenliggende periode van begin januari – eind maart werd het loon doorbetaald, wat volgens de rechtbank veeleer wijst op een doorlopend dienstverband. Eerst ingaande het jaar 2002 zou, voor zover de rechtbank kan nagaan, op dat punt een verandering in de rechtsverhouding zijn getreden. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellant stelt zich op het standpunt dat gedaagde telkens weer nieuwe dienstverbanden voor bepaalde tijd met zijn werkgever aanging tengevolge waarvan ingevolge artikel 7:668a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [werkgever] tot stand is gekomen. Het ging daarbij volgens gedaagde om dienstverbanden waarbij gedaagde voor een of meer ritten werd opgeroepen, in januari, februari en maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.