E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/4843 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 18 juni 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 25 juli 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 12 september 2002 , hierna het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 juni 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 27 augustus 2003, nr. AWB 02/1563 WAO, het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. Hendriks bij beroepschrift van 30 september 2003 tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij fax van 26 juli 2005 heeft hij nadere stukken ingediend. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 5 augustus 2005, waar appellant en zijn gemachtigde met bericht niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Wardenburg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Aan appellant is met ingang van 26 november 1993 een uitkering krachtens de WAO toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Dit in verband met klachten van psychische aard en enkelklachten. Bij besluit van 18 juni 2002 is de uitkering van appellant per 25 juli 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Naar aanleiding van hetgeen appellant in zijn bezwaarschrift, zoals nader toegelicht tijdens de hoorzitting, heeft aangevoerd, heeft de bezwaarverzekeringsarts de medische situatie van appellant nader bezien. Het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 18 juni 2002 is door gedaagde - zich mede baserend op het advies van de bezwaarverzekeringsarts - bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. In beroep is door mr. Hendriks aangevoerd dat door gedaagde in onvoldoende mate rekening is gehouden met de medische klachten en beperkingen - waaronder de psychische klachten - van appellant. De rechtbank heeft het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn beperkingen van dien aard zijn dat hij niet in staat is de geduide functies te vervullen. In hoger beroep is namens appellant door mr. Hendriks verwezen naar de gronden die in bezwaar door appellant en door hem in beroep bij de rechtbank zijn ingediend. Bij fax van 26 juli 2005 heeft mr. Hendriks nadere stukken ingediend die betrekking hebben op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht in 2005, met als doel - naar uit die stukken blijkt - het vaststellen van de actuele mate van arbeidsongeschiktheid. Tevens is door hem ingediend een brief van gedaagde omtrent de gevolgen van een wijziging in de arbeidsongeschiktheidswetgeving per 1 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.