03/4779 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende in Marokko, appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een onder dagtekening 15 augustus 2003 en nummer 02/1136 AAWAO door de rechtbank Amsterdam gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2005, waar namens appellant – met voorafgaand bericht – niemand is verschenen, en waar voor gedaagde is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING De feiten die in het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt voor zijn oordeelsvorming. Bij besluit van 10 december 1998 heeft gedaagde naar aanleiding van appellants aanvraag wegens sedert 1981 bestaande arbeidsongeschiktheid, uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, omdat appellant, op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op of na 1 januari 1985, niet verzekerd was ingevolge de AAW en de WAO. Appellant heeft tegen het besluit van 10 december 1998 geen rechtsmiddelen aangewend. Op 10 februari 2000 heeft appellants gemachtigde, onder overlegging van een aantal medische stukken, het verzoek aan gedaagde gedaan om het besluit van 10 december 1998 te herzien, omdat er bij dat besluit van onjuiste feiten en omstandigheden wordt uitgegaan. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 juli 2000 heeft gedaagde afwijzend op dit verzoek beslist, omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard onder de overweging dat appellant geen relevante feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, die bij de eerdere besluitvorming van gedaagde geen rol hebben gespeeld. Namens appellant is in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, nu uit de overgelegde medische gegevens blijkt dat appellant reeds eerder dan 1 januari 1985, namelijk in 1981, gezondheidsklachten had, zodat gedaagde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist heeft vastgesteld. De Raad overweegt het volgende. Bij zijn besluit van 10 december 1998 heeft gedaagde beslist op appellants aanvraag om hem wegens sedert 1981 bestaande arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door psychische problematiek, in aanmerking te brengen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij dat besluit is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op of na 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.