03/4407 WAO 03/4408 WAO 03/4409 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante]., gevestigd te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluiten van onderscheidenlijk 1 februari 2000, 30 maart 2000 en 28 mei 2001 (hierna: de besluiten 1, 2 en 3) heeft gedaagde ongegrond verklaard de door en namens appellante gemaakte bezwaren tegen de besluiten van respectievelijk 21 november 1998, 24 november 1999 en 28 november 2000, waarbij gedaagde de gedifferentieerde premie ingevolge de WAO voor appellante voor de jaren 1999, 2000 en 2001 heeft vastgesteld op achtereenvolgens 1,77%, 2,55% en 2,14%. De rechtbank Alkmaar heeft de door mr. M.H. ten Have, thans werkzaam bij ContactUs Legal juridisch adviseurs te Hoorn, namens appellante ingestelde beroepen tegen de besluiten 1, 2 en 3 bij uitspraak van 6 augustus 2003, reg.nr. 00/398, 00/749 en 01/1254, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten. De gemachtigde van appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft van verweer gediend. Desgevraagd heeft de toenmalige werknemer van appellante, [naam] (hierna: [naam]) op 29 maart 2005 de Raad doen weten niet als partij aan dit geding te willen deelnemen en daarbij de Raad geen toestemming gegeven zijn medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen. Op de aan de toenmalige werknemer van appellante, [n[naam2] (hierna: [naam2]), bij brief van 18 maart 2005 geboden gelegenheid om als partij aan dit geding deel te nemen, heeft deze niet gereageerd. Desgevraagd heeft gedaagde de aan het besluit van 28 november 2000 ten grondslag gelegde stukken in geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 6 september 2005, waar alleen de gemachtigde van gedaagde, J. Knufman, is verschenen. II. MOTIVERING Aan de bestreden besluitvorming met betrekking tot de vaststelling door gedaagde van de gedifferentieerde premie voor appellante voor de jaren 1999, 2000 en 2001 liggen blijkens de stukken ten grondslag de in de jaren 1997, 1998 en 1999 door gedaagde betaalde WAO-uitkeringen aan onder andere de ex-werknemers van appellante, te weten [naam] en [naam2]. [naam] is op 15 mei 1992 bij appellante in dienst getreden en op 26 juni 1992 uitgevallen. Zijn dienstverband is op 12 november 1992 geëindigd en aan hem is door gedaagdes rechtsvoorgangster bij besluit van 5 augustus 1993 met ingang van 12 juli 1993 onder andere een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 18 mei 1994 is deze uitkering met ingang van 1 mei 1994 ongewijzigd vastgesteld en bij besluit van 18 februari 1999 is deze uitkering met ingang van 1 mei 1999 ongewijzigd voortgezet. Het dienstverband van [naam2] met appellante is op 4 mei 1993 aangevangen, op 30 mei 1994 is [naam2] wegens ziekte uitgevallen en na een hersteldmelding van 23 september 1994 heeft [naam2] van 23 september 1994 tot 10 januari 1995 voltijds gewerkt en over die periode zijn volledige salaris ontvangen. Op 10 januari 1995 is [naam2] door appellante op non-actief gesteld, waarna de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen appellante en [naam2] met ingang van 10 februari 1995 heeft ontbonden en [naam2] zich met ingang van eveneens 10 februari 1995 ziek heeft gemeld. De rechtsvoorgangster van gedaagde heeft bij besluit van 25 juni 1996 aan [naam2] met ingang van 29 mei 1995 een WAO-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is door gedaagde na onderzoek op 30 juli 1997 bij besluit van 23 september 1997 ongewijzigd vastgesteld. Bij besluit 1 heeft gedaagde de bezwaren van appellante, welke zien op de rechtmatigheid van de aan [naam] en [naam2] in 1997 betaalde WAO-uitkeringen ten grondslag liggende besluiten, gewogen en te licht bevonden. Bij de besluiten 2 en 3 heeft gedaagde evenwel met betrekking tot vergelijkbare bezwaren tegen de grondslag van de in 1998 en 1999 betaalde WAO-uitkeringen aan [naam] en [naam2] onder verwijzing naar artikel 87e van de WAO overwogen dat het bezwaar van appellante niet kan zijn gegrond op de grief dat de WAO-uitkeringen ten onrechte zijn vastgesteld. In de beroepsprocedure tegen de besluiten 2 en 3 heeft gedaagde blijkens zijn brieven van 5 juni 2002 het in die besluiten neergelegde standpunt ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 87e van de WAO onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van de Raad van 20 juli 2001 (RSV 2001,206) in het geval van appellante verlaten met de vaststelling dat ten aanzien van de aan [naam] en [naam2] in 1998 en 1999 betaalde WAO-uitkeringen op en na 1 januari 1998 geen WAO-besluiten zijn afgegeven. Bij brieven van 13 september 2002 heeft gedaagde de rechtbank voorts – in afwijking van het gestelde in de brieven van 5 juni 2002 – meegedeeld dat hij meent er van te kunnen afzien de medische stukken betreffende de WAO-uitkeringen van [naam] en [naam2] in te zenden omdat het om dezelfde medische stukken gaat welke in de beroepsprocedure inzake besluit 1 zijn overgelegd. De rechtbank heeft – eveneens onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad – dit nadere standpunt van gedaagde ten aanzien van de besluiten 2 en 3 gevolgd en vastgesteld dat in het kader van het door appellante aanhangig gemaakte geschil terzake van de besluiten 1, 2 en 3 moet kunnen worden getoetst of de bedoelde WAO-uitkeringen terecht zijn toegekend. De Raad onderschrijft dit nadere standpunt van gedaagde en het oordeel van de rechtbank, zij het dat meergenoemd artikel 87e ten aanzien van besluit 3 wel vanaf 1 mei 1999 opgaat voor de aan [naam] toegekende WAO-uitkering. Zoals hiervoor immers is aangegeven, is deze uitkering door gedaagde bij besluit van 18 februari 1999 met ingang van 1 mei 1999 voortgezet. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de besluiten 2 en 3 zijn genomen in strijd met artikel 87e van de WAO en reeds om die reden dienden te worden vernietigd. Die conclusie heeft de rechtbank evenwel ten onrechte niet getrokken. Wat betreft de inhoudelijke kant van dit geding komt uit met name besluit 1 naar voren dat volgens gedaagde [naam] bekend is met een ernstige psychiatrische aandoening, dat er op grond van de informatie van de behandelend psychiater uit 1994 en de bevindingen van de verzekeringsarts uit 1999 medisch geen twijfel is aan doorlopende arbeidsongeschiktheid sedert de eerste ziektedag op 26 juni 1992, dat [naam] na de eerste ziektedag nog wel gewerkt heeft, dat er gegeven de ingangsdatum van de WAO-uitkering sprake moet zijn geweest van het doorlopen van een zogeheten samengestelde wachttijd en dat gegevens ontbreken omtrent daadwerkelijk werken door [naam] rond de datum van ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van [naam2] heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat blijkens de medische stukken [naam2], ondanks de hersteldmelding van 23 september 1993, feitelijk doorlopend arbeidsongeschikt is geweest vanaf 30 mei 1994 en dat het voltijds tegen zijn volle salaris verrichten van werkzaamheden voor appellante in de periode van 23 september 1994 tot 10 januari 1995 hieraan niet afdoet. In beroep heeft de arts-gemachtigde van appellante in zijn brief van 8 augustus 2001 ten aanzien van [naam] – naast twijfel omtrent arbeidsongeschiktheid in de periode van het verlaten van de dienstbetrekking op 12 november 1992 tot de beoordeling door de verzekeringsarts op 18 juni 1993 – opgemerkt dat, indien [naam] wel reeds op 26 juni 1992 arbeidsongeschikt zou zijn op grond van dezelfde diagnose als nadien is gesteld, het alleszins aannemelijk is dat [naam] de ziekte ook al had bij indiensttreding bij appellante op 15 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.