E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/3823 ALGEM U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. INLEIDING Bij beroepschrift van 16 juni 2005 heeft mr. J. van Broekhuijze, advocaat te Ridderkerk, als gemachtigde van appellante hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 17 mei 2005 tussen partijen gegeven uitspraak. II. MOTIVERING In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Deze bepaling is ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van de Awb in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Het ingediende beroepschrift bevat echter geen gronden. Bij schrijven van 22 juni 2005 is de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Bij fax en schrijven van 15 juli 2006 (lees: 2005), heeft de gemachtigde van appellante om uitstel verzocht voor het indienen van de gronden waarop het hoger beroep berust. Bij schrijven van 19 juli 2005 heeft de Raad dit verzoek ingewilligd en de termijn voor het indienen van de gronden waarop het hoger beroep berust verlengd tot en met 17 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.