E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/4189 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. S.L. Sarin, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 juli 2003, nummer AWB 02//3356 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant is een nader stuk ingezonden. Gedaagde heeft vervolgens daarop gereageerd. Gedaagde heeft een nader stuk ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 september 2005, waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.A.C. Rijk, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant was laatstelijk werkzaam als medewerker radijskwekerij. Hij is op 9 oktober 2000 uitgevallen met rugklachten. Bij besluit van 11 december 2001 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 8 oktober 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 juli 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit bezwaar gegrond verklaard, in die zin dat appellant vanaf 6 november 2000 recht heeft op een uitkering als eerdervermeld. De rechtbank heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagde van onjuiste medische beperkingen ten aanzien van appellant is uitgegaan. Volgens de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma terecht de conclusie van de verzekeringsarts R.G.J. van der Boom onderschreven, mede in verband waarmee de rechtbank het inwinnen van een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk acht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellant op de datum in geding in staat is te achten de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten en dat gedaagde de geselecteerde functies - na actualisering - op goede gronden voor de onderhavige schatting heeft gebruikt. In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht dat er ten onrechte door de rechtbank geen deskundige is benoemd en dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is te achten. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts Jeensma in zijn rapport van 18 mei 2002 geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellant, zoals in de primaire fase opgesteld door de verzekeringsarts Van der Boom, geen juiste weergave vormt van de bij hem ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Jeensma blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellant kennis droeg van het journaaloverzicht van appellants huisarts J.C.B.M. Rensing van 20 februari 2002, betrekking hebbend op de periode van 14 september 1995 tot en met 20 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.