04/4620 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank Zwolle op 14 juli 2004 onder kenmerk 03/539 gewezen en op 16 juli 2004 verzonden uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 september 2005, waar voor appellante is verschenen R.T. van Baarlen en waar gedaagde zich, met voorafgaand bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Bij besluit van 25 november 2002 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat de gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2003 1,87 % bedraagt. Bij de vaststelling van dit premiepercentage is rekening gehouden met uitkeringen ingevolge de WAO die gedaagde in het jaar 2001 heeft betaald aan een tweetal voormalige werkneemsters van appellante, [werkneemster 1] en [werkneemster 2]. Appellante heeft tegen het besluit van 25 november 2002 bezwaar gemaakt, daarbij aanvoerend dat de besluiten tot toekenning van WAO-uitkeringen aan de twee werkneemsters nog niet in rechte vaststaan en het premiebesluit derhalve een deugdelijke motivering en grondslag ontbeert. Bij besluit van 28 maart 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Gedaagde heeft appellante erop gewezen dat artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO erin voorziet dat bij wijziging van een WAO-uitkering met terugwerkende kracht de arbeidsongeschiktheidslasten van de werkgever in het jaar waarin de wijziging plaatsvindt worden aangepast. In beroep heeft appellante opnieuw betoogd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Appellante heeft er daarbij op gewezen dat in de door haar aanhangig gemaakte procedure met betrekking tot de aan [werkneemster 1] toegekende WAO-uitkering de Raad inmiddels uitspraak heeft gedaan en het besluit op bezwaar heeft vernietigd. Zij heeft betoogd dat met de uitspraak van de Raad vaststaat dat de betalingen aan [werkneemster 1] onverschuldigd zijn gedaan en derhalve geen grondslag kunnen vormen voor het bestreden premiebesluit. Appellante heeft dit betoog in hoger beroep herhaald, daaraan toevoegend dat inmiddels ook het door appellante ingestelde beroep tegen de toekenning van een WAO-uitkering aan [werkneemster 2] heeft geleid tot vernietiging van het besluit op bezwaar door de rechtbank. Ter zitting heeft appellante nog gesteld van gedaagde een brief te hebben ontvangen waarin is aangegeven dat met de uitspraak van de Raad inzake de toekenning van WAO-uitkering aan [werkneemster 1] ook het primaire besluit is vernietigd. In geding is de vraag of de in 2004 gewezen uitspraken in de door appellante gevoerde procedures met betrekking tot de toekenning van WAO-uitkeringen van invloed zijn op de hoogte van de gedifferentieerde premie voor het premiejaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.