03/4431 WAO, 03/4545 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats], betrokkene, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het bestuursorgaan. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het Lisv. Namens betrokkene heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 6 augustus 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. 03/269 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Het bestuursorgaan heeft eveneens op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Breda. Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd laten weten dat de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR 4716 e.v.) geen aanleiding geven om een nadere aanvulling en/of motivering op het besluit van 30 december 2002 (het bestreden besluit) in te sturen. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 7 september 2005, waar betrokkene, met voorafgaand bericht, niet is verschenen, en waar het bestuursorgaan zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Betrokkene is een voormalig grondwerker die in 1996 is uitgevallen vanwege een hernia. Na de doorgemaakte wachttijd van 52 weken heeft het bestuursorgaan hem met ingang van 10 april 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke uitkering laatstelijk is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Naar aanleiding van een ziekmelding per 22 maart 2001 vanwege oogklachten is betrokkene op 16 januari 2002 op het spreekuur gezien door de verzekeringsarts P. Neuteleers. Neuteleers heeft blijkens zijn rapport van diezelfde datum betrokkene onderzocht en de voor hem geldende belastbaarheid vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst. De nadien ontvangen informatie van Prof.dr. J.E.E. Keunen, de behandelend oogarts van betrokkene, heeft Neuteleers geen aanleiding gegeven tot wijziging van zijn conclusies. Arbeidskundig onderzoek is verricht door J.M.J. van den Broek, die blijkens zijn rapport van 1 maart 2002 na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een aantal functies heeft geselecteerd, die betrokkene met inachtneming van de voor hem geldende belastbaarheid kan verrichten. Het mediaanloon van de drie hoogstverlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen en rekening houdend met een reductiefactor van 0,87 liet een verlies aan verdiencapaciteit zijn van 50,70%. Van den Broek heeft aangegeven dat deze beoordeling tevens kan gelden als een vijfdejaarsherbeoordeling. Het bestuursorgaan heeft dienovereenkomstig bij besluit van 14 maart 2002 de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 21 maart 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van eveneens 14 maart 2002 heeft het bestuursorgaan de WAO-uitkering met ingang van 10 april 2002 ongewijzigd voortgezet. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer het dossier bestudeerd, inclusief het door betrokkene ingezonden journaal van zijn huisarts, en betrokkene zelf onderzocht. In zijn rapport van 14 juni 2002 heeft hij aangegeven dat er geen argumenten zijn om de belastbaarheid zoals door de primaire verzekeringsarts is vastgesteld te wijzigen. De bezwaararbeidsdeskundige C.G. Litjens heeft in zijn rapport van 19 november 2002 aangegeven dat vrijwel alle functies die in de primaire fase zijn geselecteerd, functies zijn met wisselende diensten, die niet aan betrokkene voorgehouden hadden mogen worden. Na nieuwe raadpleging van het CBBS heeft Litjens functies in vier Sbc-codes geselecteerd, te weten: samensteller metaalwaren (Sbc-code 264140), magazijn, expeditiemedewerker (Sbc-code 111220), lederbewerker (Sbc-code 272070) en inpakker (Sbc-code 111190). De door Litjens gemaakte schatting op basis van de drie eerstgenoemde functies liet een verdienverlies zien van (afgerond) 40%. Naar aanleiding van de door de gemachtigde van betrokkene geuite twijfel of de geselecteerde functies wel op de in geding zijnde data aanwezig waren, heeft Litjens nader onderzoek ingesteld en in zijn rapport van 20 december 2002 uiteengezet dat de functie magazijn, expeditiemedewerker wel voorkwam op beide data in geding, maar in een te geringe omvang. Hij heeft deze functie laten vervallen en daarvoor in de plaats de functie van inpakker (Sbc-code 111190) aan de schatting ten grondslag gelegd, waarmee volgens Litjens betrokkene onveranderd in te delen is in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Het bestuursorgaan heeft bij besluit van 30 december 2002 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard en de beslissingen van 14 maart 2002 in zoverre herzien dat de mate van arbeidsongeschiktheid zowel per 21 maart 2002 als per 10 april 2002 wordt vastgesteld naar 35 tot 45%, waarbij uit zorgvuldigheidsoverwegingen deze (verlaagde) mate van arbeidsongeschiktheid wordt geëffectueerd per 1 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.