04/1977 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. C.A. Jonkers, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2004, reg.nr. 03/1324 ABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 27 september 2005, waar appellant en zijn raadsman niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A. Albers, werkzaam bij de gemeente Bodegraven. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant en zijn echtgenote hebben over de periode van 24 maart 1995 tot 20 mei 1998 een bijstandsuitkering ontvangen, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), naar de norm voor een gezin. Aansluitend heeft gedaagde appellant bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande in verband met de terugkeer van zijn echtgenote naar Marokko. Op de op 16 en 27 september 2001 door appellant ondertekende heronderzoeks-formulieren heeft appellant opgegeven dat hij met ingang van 1 april 2001 maandelijks een bedrag van ? 386,-- (€ 175,16) van de Belastingdienst ontvangt en dat hij over het jaar 2000 een teruggave van de Belastingdienst heeft ontvangen van ? 2.923,-- (€ 1.326,41). Gedaagde is uit bij de fiscus ingewonnen inlichtingen gebleken dat appellant over de jaren 1998, 1999 en 2000 jaarlijks van de Belastingdienst een teruggave inkomstenbelasting ontving. Deze uitgaven zijn een gevolg van het feit dat appellant door de fiscus is aangemerkt als een gehuwd persoon, terwijl gedaagde hem heeft aangemerkt als een alleenstaande en als zodanig (te veel) belasting over de aan appellant verleende bijstand aan de fiscus heeft afgedragen. Voorts is gedaagde gebleken dat de Belastingdienst aan appellant met ingang van 1 april 2002 tot 1 januari 2002 en vervolgens ingaande 1 april 2002 maandelijks de aan zijn echtgenote toegekende teruggaaf heffingskorting minstverdienende partner heeft uitbetaald. Naar aanleiding van de belastinggegevens heeft gedaagde bij besluit van 21 juni 2002 het aan appellant toegekende recht op bijstand over de periode van 20 mei 1998 tot 1 juli 2002 met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw herzien en de over deze periode voor appellant gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.173,85 van hem teruggevorderd met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Tevens heeft gedaagde appellant hierbij meegedeeld dat met ingang van 1 juli 2002 bij de aan hem verleende bijstand rekening wordt gehouden met de maandelijkse belastingteruggave. Voorts heeft gedaagde bij besluit van 18 juli 2002 appellant een boete opgelegd in verband met de schending van de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingverplichting. De tegen de besluiten van 21 juni 2002 en 18 juli 2002 gemaakte bezwaren heeft gedaagde bij besluit van 4 februari 2003 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft gedaagde tevens de boete verhoogd tot € 572,--. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 februari 2003 ingestelde beroep voorzover dit de herziening en de terugvordering betreft ongegrond verklaard, het beroep tegen de boete - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard en dit boetebesluit vernietigd voorzover het de verhoging van de boete betreft en gedaagde veroordeeld tot het betalen van rente. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover het de herziening en de terugvordering betreft. De Raad komt met betrekking tot de thans nog slechts in geding zijnde herziening en terugvordering tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 42, eerste volzin, van de Abw worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, tot de middelen gerekend. Op grond van artikel 47, eerste lid en onder a, van de Abw worden, voorzover hier van belang, belastingteruggaven als inkomen aangemerkt. De Raad is van oordeel dat de door appellant ontvangen belastingteruggaven als middelen in de zin van artikel 42, eerste volzin, van de Abw, in samenhang met artikel 47, eerste lid en onder a, van de Abw beschouwd dienen te worden waarmee bij de bijstandsverlening rekening moet worden gehouden. Daarbij stelt de Raad vast dat niet is komen vast te staan dat appellant de belastingteruggaven heeft aangewend ten behoeve van zijn echtgenote, in de zin van artikel 43, tweede lid, van de Abw. De enkele verklaring van appellant dat hij eenmaal per jaar de desbetreffende gelden zelf naar zijn echtgenote brengt, acht de Raad, met de rechtbank, volstrekt onvoldoende. Ook de grief van appellant dat in zijn situatie toepassing moet worden gegeven aan artikel 50, tweede lid, van de Abw treft geen doel. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank op dit punt, inhoudende dat appellant door gedaagde terecht als duurzaam gescheiden levend is aangemerkt gelet op het feit dat de echtgenote van appellant reeds sedert 1998 in Marokko woonachtig is en niet is gebleken van enige concrete, objectiveerbare intentie van appellant om de samenwoning te herstellen. Hetgeen appellant in dit kader in hoger beroep heeft aangevoerd, namelijk dat de gezondheid van zijn echtgenote een samenwoning in Nederland in de weg staat, doet hieraan naar het oordeel van de Raad niet af. De Raad stelt vervolgens vast dat gedaagde met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand over de gehele periode van 20 mei 1998 tot 1 juli 2002 heeft herzien. De Raad is evenwel van oordeel dat dit niet juist is voorzover de herziening ziet op de jaren 1998, 1999 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.