02/5313 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft R. Haest, werkzaam bij H&B Advies voor organisatie, mens en arbeid, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 3 oktober 2002 gewezen uitspraak, reg. nr. AWB 01/2226 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Bij beschikking van 21 juni 2001 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen appellant en zijn werkgever per 1 juli 2001 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van f. 40.000,-- bruto. In verband met deze ontbinding heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 11 september 2001 heeft gedaagde aan appellant per 26 oktober 2001 een WW-uitkering toegekend. Over de periode 1 juli 2001 tot en met 25 oktober 2001 bestaat volgens gedaagde geen recht op WW-uitkering. Deze periode geldt als fictieve opzegtermijn. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 16 november 2001 heeft gedaagde het besluit van 11 september 2001 gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat tussen partijen niet in geding is dat de CAO voor het bouwbedrijf van toepassing is. Op grond daarvan is de opzegtermijn 22 weken en kan slechts worden opgezegd tegen de laatste dag van de loonweek. De CAO-bepalingen zijn een geoorloofde afwijking van de aanzeg- en opzegtermijnen uit het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat vaststelling van de termijn dient te geschieden aan de hand van die bepalingen. Omdat ontbinding werd verzocht door de werkgever moet van de 22 weken één maand worden afgetrokken. De rechtbank stelt vast dat de rechtens geldende termijn derhalve loopt van 22 juni 2001 tot en met 26 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.