03/4713 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. V.A.D. Denters, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 augustus 2003, reg.nr. 02/3069 ABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is gevoegd met het geding met reg.nr. 03/3936 NABW behandeld ter zitting van 12 april 2005, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr. J. de Vormer, kantoorgenoot van mr. Denters, en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen. De Raad heeft het onderzoek heropend en daarbij gedaagde nadere vragen gesteld, die gedaagde bij brief van 3 mei 2005 heeft beantwoord. Appellante heeft daarop nader gereageerd. Het geding is gevoegd met het geding met reg.nr. 03/3936 NABW opnieuw behandeld ter zitting van 27 september 2005, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. De Vormer, en gedaagde door mr. M.I.E. Rhuggenaath werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden uitspraak gedaan. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante ontving ten tijde in geding samen met haar partner [partner] een uitkering achtereenvolgens op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) en de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden, met uitzondering van een periode in 1998 waarin appellante vanwege de detentie van haar partner een uitkering ontving naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van gegevens van de Belastingdienst, waaruit bleek dat op naam van appellante verschillende voor gedaagde onbekende bankrekeningen zijn gesteld, heeft gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. In dat kader heeft gedaagde appellante bij brief van 6 december 2000 verzocht over de periode vanaf 11 december 1997 alle bankafschriften over te leggen met de rekeningnummers [nummers]. Nadat appellante terzake in gebreke was gebleven heeft gedaagde bij besluit van 20 februari 2001 het recht op bijstand van appellante over de periode 1 maart 1996 tot en met 30 november 1999 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van ƒ 112.445,14 van haar teruggevorderd op de grond dat appellante de beschikking had over vermogen boven de in acht te nemen vrijlatingsgrens. Bij besluit van 5 juli 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 februari 2001 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante aan gedaagde geen opgave heeft gedaan van het feit dat ten tijde in geding verschillende bankrekeningen (mede) op haar naam waren gesteld, dat zij ook in de bezwaarfase onvoldoende afschriften van de betreffende bankrekeningen heeft overgelegd met als gevolg dat haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij brief van 13 augustus 2002 heeft appellante tegen het besluit van 5 juli 2002 beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij besluit van 14 oktober 2002 heeft gedaagde de wettelijke grondslag van het besluit van 5 juli 2002 gewijzigd in die zin dat voor de periode 1 maart 1996 tot en met 1 april 1997 toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 30, tweede lid, van de ABW en artikel 57, aanhef en onder a en d, van de ABW. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 5 juli 2002 en 14 oktober 2002 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan gedaagde geen opgave te doen van het feit dat de bankrekeningen met de nummers [nummers] (mede) op haar naam zijn gesteld. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze schending van de inlichtingenverplichting tot gevolg heeft gehad dat gedaagde, gelet op de stortingen op en de opnames en tegoeden van de verschillende rekeningen, niet heeft kunnen vaststellen of appellante in de periode in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Appellante heeft tot in hoger beroep nog afschriften van de verschillende bankrekeningen overgelegd, waarbij zij de stelling heeft betrokken dat inmiddels, zij het wellicht met uitzondering van de periode van 1 maart 1996 tot 1 januari 1997, het recht op bijstand alsnog kan worden vastgesteld. Gedaagde heeft zich - kort gezegd - nader op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de verzwege[nummer]mmers [nummers] en het bekende rekeningnummer [nummer] niet alle lacunes zijn opgevuld, zodat onzekerheid blijft bestaan over de middelen waarover appellante in de periode in geding heeft kunnen beschikken. De Raad stelt vast dat appellante van de Visa Card rekening met het nummer [nummer] rekeningafschriften heeft overlegd over de periode vanaf 3 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.