04/4824 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [Naam B.V. ], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft W.H. van der Meule, accountant-administratieconsulent te Schiedam, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 22 juli 2004 onder kenmerk 03/1319 door de rechtbank Breda gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 30 augustus 2005 heeft appellante nog een nadere toelichting op haar standpunt gegeven. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad gehouden op 15 september 2005, waar beide partijen met voorafgaand bericht van verhindering niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Appellante houdt zich bezig met de handel in en de montage van systeemhallen en aanverwante materialen. [Betrokkene] (hierna: betrokkene) is statutair directeur van appellante. Hij houdt via zijn persoonlijke vennootschap 1/3e deel van de aandelen van appellante. De overige aandelen worden gehouden door [naam N.V.], gevestigd te België. Appellante heeft met de persoonlijke vennootschap van betrokkene een managementovereenkomst gesloten waarin onder meer een vaste vergoeding per jaar, te betalen in 12 maandelijkse termijnen, overeen is gekomen voor de inzet van betrokkene ten behoeve van directiewerkzaamheden. Bij een controle in 2002 heeft gedaagde geconstateerd dat appellante over 1997 tot en met 2001 had nagelaten opgave te doen van de aan betrokkene betaalde lonen. Op 19 december 2002 zijn appellante daarom over genoemde jaren correctienota’s opgelegd. In samenhang daarmee heeft gedaagde over 1998 tot en met 2001 administratieve boetes opgelegd. De boete bedraagt over de jaren 1998 en 1999 25% en over de jaren 2000 en 2001 37 ½ % van de nageheven premies. Bij het bestreden besluit van 5 mei 2003 heeft gedaagde alle premie- en boetenota’s gehandhaafd. Gedaagde heeft haar besluitvorming gebaseerd op het standpunt dat betrokkene tot appellante in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond, als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, zodat betrokkene verplicht verzekerd was. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Zij heeft als haar oordeel uitgesproken dat aan alle vereisten voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking - persoonlijke arbeid, loon en gezagsverhouding - is voldaan. Hierbij heeft zij, wat betreft het vereiste van het bestaan van een gezagsverhouding, overwogen dat betrokkene gezien de aandelenverhouding bij een conflict tegen zijn wil ontslagen kon worden door de algemene vergadering van aandeelhouders en dat er onvoldoende concrete en verifieerbare aanknopingspunten zijn voor appellantes stelling dat er ondanks het minderheidsbelang van betrokkene toch sprake was van een gelijkwaardige positie tussen betrokkene en de andere aandeelhouder. De rechtbank was voorts van oordeel dat gedaagde bij het bepalen van de hoogte van de premie niet ten onrechte is uitgegaan van 260 loondagen per jaar. Met betrekking tot de boetes heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde deze terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd. Met betrekking tot de correctienota’s De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep op dit punt is aangevoerd overweegt de Raad het volgende. Ook voor de Raad staat voldoende vast dat de werkzaamheden door betrokkene persoonlijk zijn verricht en dat van vervanging geen sprake is geweest, hetgeen voor de hand ligt, omdat het appellante juist te doen was om de unieke kennis en expertise van betrokkene. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad kan de aan de persoonlijke vennootschap van betrokkene betaalde managementfee worden aangemerkt als loon. Gezien de aandelenverhouding kon betrokkene tegen zijn wil worden geschorst en ontslagen uit zijn functie van directeur, hetgeen naar vaste rechtspraak van de Raad een sterke aanwijzing is dat er in situaties als de onderhavige sprake kan zijn van gezagsuitoefening. De Raad ziet in de vanwege appellante aangevoerde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat zich in het onderhavige geval een uitzonderingssituatie voordoet, waarin van gezagsuitoefening - met name in conflictsituaties - geen sprake zou kunnen zijn. De door appellante aangehaalde uitspraak van de Raad van 28 juli 2005, LJN AU1308, ziet op een andere situatie. Immers, in dat door de Raad berechte geval gaat het om de arbeidsverhouding tussen een onderneming en een persoon die via een andere onderneming producten van de eerste onderneming verkoopt; in het onderhavige geval gaat het om de arbeidsverhouding van een onderneming (appellante) en de bestuurder van die onderneming (betrokkene). Bezwaarlijk kan worden volgehouden dat directiewerkzaamheden niet een essentieel onderdeel van de bedrijfsvoering van een onderneming vormen. Ook met betrekking tot de hoogte van de premies onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank. Voorts verwijst hij naar zijn recente uitspraken van 28 juli 2005 omtrent de betekenis van het begrip loondagen als bedoeld in artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en in het bijzonder naar de uitspraak, gepubliceerd onder LJN-nummer AU
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.