03/6107 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 23 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: Awb 03-368 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 20 februari 2004 van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 oktober 2005, waar appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Janszen, voornoemd, als zijn raadsman, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat gedaagde bij het thans bestreden op bezwaar genomen besluit van 4 november 2002 het besluit van 24 april 2002 heeft gehandhaafd, waarbij de aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 juni 2002 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak (samengevat) als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit steunt op een voldoende en zorgvuldig medisch onderzoek en dat gedaagde, in navolging van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen, de voor appellant geldende medische beperkingen tot het verrichten van arbeid niet heeft onderschat. Met betrekking tot de arbeidskundige aspecten heeft de rechtbank geoordeeld dat haar niet was gebleken dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant niet op goede gronden zou berusten. In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat de beoordeling van de verzekeringsarts niet in overeenstemming is met die van de behandelende specialisten en dat de meerderheid van de geduide functies niet in voldoende mate is gebaseerd op zijn medisch/psychische klachten, respectievelijk niet relevant is. Ter zitting heeft appellant nog doen aanvoeren dat hij zorg gedragen heeft voor inlichtingen van de behandelende specialisten en dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte heeft nagelaten deze in te winnen. Om deze redenen acht appellant het hiervoor vermelde oordeel van de rechtbank onjuist. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de arbeidsongeschiktheids-schatting op een zorgvuldig medisch onderzoek berust. Aan de aan het besluit van 24 april 2002 ten grondslag gelegde verzekerings-geneeskundige rapportage valt te ontlenen dat informatie van appellants huisarts P.W.J. Hamstra bij de medische oordeelsvorming is betrokken en dat de medische beperkingen van appellant, rekening houdend met die inlichtingen, zijn vastgesteld. In de bezwaarfase van de besluitvorming heeft appellant zorggedragen voor een verklaring van zijn huisarts van 30 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.