E N K EL V O U D I G E K A M E R 03/4490 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Appellante heeft op 22 augustus 2003 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2003, nr. 02/2808 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 september 2005, waar appellante, zoals tevoren bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Bij brief van 8 juni 1999 heeft appellante, geboren in 1935 en zelf nooit werkzaam en/of woonachtig in Nederland geweest, aan gedaagde te kennen gegeven in aanmerking te willen komen voor een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij heeft zij aangegeven dat haar echtgenoot [echtgenoot], geboren in 1939, in Nederland betaalde arbeid heeft verricht. Op 9 augustus 1999 heeft zij via de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) een officiële aanvraag bij gedaagde ingediend. Aan de hand van de verkregen gegevens omtrent – onder meer – het arbeidsverleden en het verblijf van appellantes echtgenoot in Nederland, heeft gedaagde bij besluit van 13 februari 2001 aan appellante met ingang van juli 2000 een AOW-pensioen van ƒ 364,48 bruto per maand en het bijbehorende vakantiegeld van ƒ 20,81 bruto per maand toegekend, zijnde 30% van het volledig AOW-pensioen. Tevens heeft gedaagde, omdat appellantes partner jonger is dan 65 jaar, een toeslag toegekend die met ingang van juli 2000 eveneens ƒ 364,48 plus ƒ 20,81 vakantiegeld bruto per maand bedraagt, ofwel 30% van de volledige toeslag. Gedaagde is er daarbij van uitgegaan dat appellante - op basis van de verzekerde jaren van haar echtgenoot - van 8 augustus 1966 tot en met 12 oktober 1980, naar boven afgerond 15 jaar, voor de AOW verzekerd is geweest. Nadat appellante via de CNSS van dit besluit had kennisgenomen, heeft zij daartegen bezwaar gemaakt. Zij stelde zich daarbij op het standpunt dat zij op grond van internationale regelingen geacht wordt verzekerd te zijn in de periode van 8 augustus 1966 tot 2 oktober 1998, hetgeen neerkomt op meer dan 32 jaar. Bij beschikking op bezwaar van 22 mei 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten, overwegende dat uit de van de zijde van appellante overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat de echtgenoot van appellante na de door gedaagde als verzekerd aangemerkte periode ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen is geweest, alsmede dat het feit dat appellantes echtgenoot tot 10 mei 1988 in het bevolkingsregister van de gemeente Rotterdam ingeschreven heeft gestaan onvoldoende is om tot die datum ingezetenschap aan te nemen. Met het in hoger beroep ingezonden beroepschrift bedoelt appellante – in de opvatting van de Raad – aan te geven dat zij het niet eens is met hetgeen in de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van de verzekerde jaren van haar echtgenoot is overwogen. De Raad overweegt als volgt. Aan het hier ter beoordeling staande, na bezwaar gehandhaafde, besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd het standpunt dat de echtgenoot van appellante verzekerd is geweest van 8 augustus 1966 tot en met 12 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.