03/1100 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 27 maart 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant na afloop van de wachttijd op 25 juni 1997 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 30 maart 2001 heeft gedaagde de aan appellant over de periode van 25 juni 1997 tot en met 1 december 1998 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de WAO tot een bedrag van f 38.713,71 (€ 17.567,52) van appellant teruggevorderd, onder overweging dat er geen dringende reden is om van terugvordering af te zien. Bij besluit van 28 maart 2002 heeft gedaagde de door appellant tegen bovengenoemde besluiten ingediende bezwaarschriften ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 6 februari 2003, nr. AWB 02/1624 WAO, het beroep van appellant tegen het besluit van 28 maart 2002 ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. M. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift van 9 april 2003 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 15 april 2003, ingezonden. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 4 mei 2005 nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 september 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Samama, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met een verwijzing naar de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft de vraag of het besluit van 28 maart 2002 (hierna: het bestreden besluit) in rechte kan stand houden, bevestigend beantwoord. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen (waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen en voor verweerder gedaagde): “In het geschil naar aanleiding van de intrekking van eisers arbeidsongeschiktheidsuitkeringen per 4 juni 1995 en 6 juli 1995 was met name de vraag aan de orde of eisers afwijkende gedrag voortkwam uit een psychiatrische stoornis, dan wel diende te worden aangemerkt als misleiding (simulatie). De door de Centrale Raad van Beroep geraadpleegde deskundige, psychiater prof. dr. G.F. Koerselman, is tot de conclusie gekomen dat eisers gedrag geen uiting is van een psychiatrische ziekte, en dat eiser in staat moest worden geacht de destijds door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten. De Centrale Raad van Beroep heeft geen aanleiding gezien om dit deskundigenoordeel in twijfel te trekken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in rechte aangesloten bij het standpunt van verweerder, inhoudende dat eiser een stoornis heeft gesimuleerd, en dat er dus geen aanwijzing is dat hij zijn bizarre gedrag (als gevolg van een stoornis) niet kan beheersen of sturen. Degene die een ziekte voorwendt kan weten, althans zou moeten weten, dat hij ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, dat de mogelijkheid bestaat dat zulks aan het licht komt en dat er een reële kans bestaat dat die uitkering vervolgens wordt ingetrokken. Er zijn geen aanwijzingen dat eisers gezondheidstoestand op de datum die thans in geding is, 25 juni 1997, anders zou moeten worden beoordeeld. Van de kant van eiser zijn geen gegevens aangereikt waaruit dat kan blijken. Verweerder kon dan ook tot de conclusie komen dat de rapportage van prof. dr. Koerselman en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep een nieuw licht wierpen op de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per die datum. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een uitzonderingsgeval waarin intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, noch met een ander beginsel van behoorlijk bestuur. Verweerder heeft dan ook terecht het primaire besluit van 27 maart 2001 gehandhaafd. Daarbij merkt de rechtbank overigens op dat verweerder heeft miskend dat eisers ziekmelding op 24 juni 1996 heeft geleid tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (na vier weken arbeidsongeschiktheid) met ingang van 24 juli 1996, en niet eerst na een wachttijd van 52 weken. Dat verweerder als peildatum 25 juni 1997 heeft gehanteerd, is uitsluitend in eisers voordeel, zodat hierin geen aanleiding kan worden gevonden om het beroep gegrond te verklaren. Nu de uitkering met terugwerkende kracht kon worden ingetrokken, staat vast dat over de periode van 25 juni 1997 tot en met 1 december 1998 onverschuldigd een uitkering is uitbetaald tot het in het bestreden besluit genoemde bedrag van € 17.567,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.