E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/1895 NABW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], opposant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verzoeker heeft zich bij brief van 11 maart 2005 gekeerd tegen de door de Raad op 5 januari 2005 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 03/1144 NABW, met het verzoek de zaak alsnog ontvankelijk te verklaren. Bij uitspraak van de Raad van 5 juli 2005 is het verzoek van opposant niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak van de Raad heeft opposant bij brief van 15 augustus 2005 een verzetschrift ingediend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 15 november 2005, waar opposant niet is verschenen. Geopposeerde heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De uitspraak van de Raad van 5 juli 2005 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het indienen van het verzoek om herziening ingevolge artikel 22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de laatstelijk aangetekende verzonden brief van 22 april 2005 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. In geding is de vraag of het verzoek van 11 maart 2005 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn uitspraak van 5 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.