E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/6430 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 november 2003, nummer 03/279 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 oktober 2005, waar partijen – met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante was laatstelijk werkzaam als inpakster. Zij is in maart 1998 uitgevallen wegens de ziekte van Pfeiffer en zwangerschapsklachten. Bij besluit van 4 juni 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke aan haar in aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 24 maart 1999 was toegekend en sedertdien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 7 juli 2002 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Namens appellante heeft M. Akkaya tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op grond van de overgelegde stukken aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Voorts vindt het standpunt van de arbeidsdeskundigen naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in de stukken. Zij hebben, zo oordeelt de rechtbank, het verlies aan verdienvermogen bij appellante niet onjuist vastgesteld. In hoger beroep is namens appellante naar voren gebracht dat appellante door haar medische beperkingen niet in staat is te achten om met algemeen geaccepteerde arbeid inkomsten te verwerven. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels in haar rapport van 9 december 2002 geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellante, zoals in de primaire fase opgesteld door de verzekeringsarts A.W.M. Korzilius, geen juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. Bij het lichamelijk onderzoek stelde Korzilius geen afwijkingen of beperkingen vast. Ook bij het psychisch onderzoek was volgens hem geen sprake van afwijkingen en diagnosticeerde hij een aanpassingsstoornis in remissie. Vanwege het recente herstel achtte Korzilius nog enkele psychische beperkingen aangewezen. De Raad overweegt dat Korzilius blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante kennis droeg van de informatie van de behandelend psychiater F.M. Sleegers, zoals neergelegd in zijn brieven van 17 januari 2000 en 29 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.