E N K E LV O U D I G E K A M E R 05/208 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verweerster heeft onder dagtekening 29 december 2004, kenmerk JZ/U60/2004, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiser op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 september 2005, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING In september 2001 heeft eiser, die is geboren in 1935, bij verweerster een aanvraag ingediend om krachtens de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 25 maart 2002, zoals na bezwaar gewijzigd bij besluit van 18 december 2002, op de grond dat weliswaar voldoende aannemelijk is geworden dat eiser direct betrokken is geweest bij het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 en dat eiser derhalve getroffen is door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet, maar dat ten aanzien van eiser niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van het ondervonden oorlogsgeweld, leidend tot blijvende invaliditeit. Dit oordeel heeft verweerster destijds ontleend aan een advies van haar geneeskundig adviseur, dat onder meer berustte op een onderzoek door de arts J.H. Husken. Deze arts was tot de conclusie gekomen dat er bij eiser weliswaar sprake was van psychische klachten, maar dat duidelijke PTSD-perikelen daarbij niet aan de orde waren en de oorlogservaringen bij het meegemaakte bombardement van Rotterdam in het gehele beeld slechts op zeer ondergeschikte wijze aanwezig waren. Het door eiser tegen dit besluit bij de Raad ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 29 december 2003, nr. 03/226 WUBO, ongegrond verklaard. In juni 2004 heeft eiser zich wederom tot verweerster gewend met een aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en om in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Hij heeft daarbij aangegeven zich inmiddels onder behandeling te hebben gesteld bij De Schalm mede omdat de bij hem aanwezige oorlogsgerelateerde klachten verergerd waren. Eiser heeft daarbij een schrijven van juni 2004 overgelegd van een aan de Schalm verbonden psychotherapeut en psychiater waarin wordt vermeld dat er bij eiser onder meer sprake is van PTSS klachten. Bij besluit van 29 oktober 2004, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster, op advies van haar geneeskundig adviseur, aanvaard dat er bij eiser sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld en hem met ingang van 1 juni 2004 onder meer de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet toegekend. In beroep tegen het thans bestreden besluit heeft eiser aangevoerd dat de ingangsdatum van de genoemde toekenning ten onrechte niet is bepaald naar het tijdstip van indiening van de eerdere aanvraag in september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.