03/3889 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 23 juni 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr. Awb 02-1063 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 oktober 2005, waar namens appellant is verschenen mr. Fischer, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Oltmans, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten. Appellant, geboren [in] 1951, is als hoofd Financiën bij het stadsdeel [naam stadsdeel] op 22 januari 1999 uitgevallen wegens hartritmestoornissen. Met ingang van 21 januari 2000 is hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Bij besluit van 12 maart 2001 is deze uitkering ongewijzigd voortgezet. Nadat de verzekeringsarts M. Bakker appellant had gezien en informatie had verkregen van de behandelend cardioloog R. Derksen is deze arts in zijn rapport van 22 augustus 2001 tot de conclusie gekomen dat er bij appellant geen sprake meer is van beperkingen als gevolg van ziekte. In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van 27 augustus 2001 meegedeeld dat hij weer geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk van hoofd Financiën, dat hij om die reden niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht en dat zijn uitkering met ingang van 29 augustus 2001 wordt beëindigd. In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat zijn hartritmestoornissen worden veroorzaakt door stress. Aangezien het uitoefenen van de functie van Hoofd Financiën stress met zich brengt, is hij van mening dat hij ten onrechte geschikt is geacht voor deze functie. Op 14 juni 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans rapport uitgebracht. In dit rapport heeft hij zich kunnen verenigen met de bevindingen van de verzekeringsarts Bakker en bij daaropvolgend besluit van 21 juni 2002 heeft gedaagde, in overeenstemming met dit rapport, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. In beroep heeft appellant herhaald dat hij om medische redenen niet geschikt is voor de functie van hoofd Financiën, waarbij ter ondersteuning van dit standpunt nog een verklaring d.d. 5 november 2002 van voornoemde cardioloog Derksen is overgelegd. Op de in beroep naar voren gebrachte grieven is van de zijde van gedaagde gereageerd door middel van een rapport d.d. 12 december 2002 van de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns en een rapport d.d. 13 december 2002 van de bezwaararbeidsdeskundige F. Schrijer, waarop vervolgens van de zijde van appellant is gereageerd door middel van een schrijven van 19 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.