04/1237 NABW + 05/1782 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het dagelijks bestuur van Optimisd, Intergemeentelijke Sociale Dienst te Veghel, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Als gevolg van het aangaan van een gemeenschappelijke regeling treedt in dit geding het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 januari 2004, reg.nrs. 03/3466 NABW VV en 03/3468 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens een nieuw besluit van 2 maart 2004 overgelegd. Het geding is behandeld ter zitting van 25 oktober 2005, waar namens appellant is verschenen mr. J.J. Lauwen, advocaat te Oss, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Vossebeld, werkzaam bij Optimisd. II. MOTIVERING Appellant, die een HBO-opleiding heeft gevolgd, ontving sedert november 1993 - met onderbreking in 2000/2001 - een bijstandsuitkering van gedaagde. In de periode van 1997 tot april 2002 heeft gedaagde appellant een aantal maatregelen opgelegd in verband met zijn houding ten opzichte van de inschakeling in de arbeid. Op 2 september 2003 heeft consulent W.H. Peters (hierna: Peters) van IBN Arbeidsintegratie in het kader van een tussen appellant en gedaagde overeengekomen trajectplan de functie van beheerder van een non-profit instelling aan appellant aangeboden. Appellant heeft de volgende dag telefonisch aan Peters meegedeeld dat hij niet in aanmerking wenste te komen voor die functie. Bij de uitoefening van die functie moest ook eenmaal per week een avonddienst worden verricht. Appellant heeft volgens Peters te kennen gegeven dat hij in verband met zijn hobby’s niet in de avonduren wilde werken en dat hij zich alleen beschikbaar stelde voor een dagdienstfunctie. Peters heeft de inhoud van het telefoongesprek op 3 september 2003 weergegeven in zijn brieven namens IBN Arbeidsintegratie van 4 september 2003 aan appellant, respectievelijk 27 november 2003 aan de gemeente Veghel. Vervolgens heeft appellant op 8 september 2003 een nader gesprek met Peters gevoerd. Uit de brieven van Peters namens IBN Arbeidsintegratie van 12 september 2003 aan appellant en van 27 november 2003 aan de gemeente Veghel, blijkt dat Peters toen nog een viertal functies met appellant heeft besproken, te weten de functies van medewerker schoonmaak, medewerker groenvoorziening, magazijnmedewerker en assemblagemedewerker en dat appellant ook op deze functies negatief heeft gereageerd. Bij besluit van 23 september 2003 heeft gedaagde bij wijze van maatregel de uitkering van appellant met ingang van 9 september 2003 beëindigd. Bij besluit van 9 december 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2003 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 december 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft hij in de aangevallen uitspraak overwogen dat, gelet op de tekst en de geschiedenis van artikel 14 van de Algemene bijstandswet (Abw), een maatregel als de onderhavige, te weten een blijvend gehele weigering van uitkering, in strijd moet worden geacht met de wet. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Volgens hem zijn hem in het gesprek op 8 september 2003 niet vier vacatures voorgelegd die hij heeft afgewezen. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad stelt eerst vast dat gedaagde ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank op 2 maart 2004 een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant, dient de Raad dit besluit op grond van het bepaalde in de artikelen 6:19, eerste lid, in verbinding met 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling te betrekken. Aangezien dit besluit geheel in de plaats treedt van het besluit van 9 december 2003 en niet gebleken is van enig processueel belang bij de beoordeling van dat besluit, is de Raad van oordeel dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Bij het besluit van 2 maart 2004 heeft gedaagde met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw een maatregel opgelegd en deze bepaald op een verlaging van de uitkering met 100% gedurende een periode van vier maanden, ingaande 9 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.