04/2200 NABW + 04/2201 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. M.G. van Westrenen, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2004, reg.nrs. 03/941 NABW en 03/2252 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 1 november 2005, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING Appellant ontving van gedaagde bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Naar aanleiding van een onderzoek door de sociale recherche naar het recht op bijstand van appellant is gedaagde gebleken dat appellant eigenaar is van een niet door hem bewoond pand aan de [adres] te [woonplaats], bestaande uit drie woningen en een winkel (hierna: het pand). Bij besluit van 27 maart 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2002 beëindigd op de grond dat het vermogen van appellant verdere bijstandsverlening in de weg staat. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 januari 2003 ongegrond verklaard. Bij besluit van 29 mei 2002 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 september 1998 tot en met 31 maart 2000 en van 20 juni 2000 tot en met 28 februari 2002 ingetrokken wegens het niet melden van vermogen dat bijstands-verlening in de weg staat en de gemaakte kosten van bijstand over deze perioden tot een bedrag van € 27.528,91 van appellant teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 april 2003 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 14 januari 2003 en 22 april 2003 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat op basis van het taxatierapport van 12 april 2002 de waarde van het pand van appellant op € 125.000,-- kan worden gesteld en dat de schulden, nog daargelaten de vraag of deze als reële en ten tijde hier van belang als nog bestaande schulden kunnen worden aangemerkt, maximaal € 80.171,-- bedragen. Daarvan uitgaande bedroeg het vermogen van appellant € 44.828,-- (lees: € 44.829,--) welk bedrag het vrij te laten vermogen, genoemd in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw gedurende de gehele hier van belang zijnde periode overstijgt. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellant staat zijn vermogen in het pand bijstandsverlening niet in de weg. Hij verwijst hierbij naar het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand van 24 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.