E N K E L V OU D I G E K A M E R 03/2853 WAO + 05/4718 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], thans verblijvende te [verblijfplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 29 april 2003, nummer 02/2470 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 20 juli 2005 heeft gedaagde een vraag van de Raad beantwoord. Daarbij is een besluit van 20 juli 2005 aan de Raad toegezonden. Bij brief van 15 september 2005 is namens appellant een vraag beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 november 2005, waar voor appellant is verschenen mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, en waar namens gedaagde is verschenen V.A.R. Kali, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Aan appellant is met ingang van 8 juni 1990 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke sedert 24 december 1992 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant is sedert 7 januari 1998 gedetineerd. In april 2000 is gedaagde bekend geworden dat appellant zich in detentie bevond. Bij besluit van 22 mei 2000 (hierna: het primaire besluit) heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 juni 2000 ingetrokken. Bij besluit van 18 juli 2001 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde het primaire besluit na bezwaar gehandhaafd. Hierbij is overwogen dat appellants uitkering op grond van artikel 43, vijfde lid, van de WAO, zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van de Wet socialezekerheidrechten gedetineerden (Wsg) per 1 mei 2000, dient te worden beëindigd. Dat appellant zich ten tijde hier van belang in voorlopige hechtenis bevond, is niet van belang, nu voorlopige hechtenis niet onder de uitzonderings- bepalingen van de Wsg valt, aldus gedaagde. In beroep is namens appellant gesteld dat de Wsg in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951,154; 1990, 156 (EVRM), artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Trb.1978, 177 (IVBPR), artikel 69 van het Verdrag 102 betreffende minimumnormen van sociale zekerheid (hierna: IAO-verdrag 102) en artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het EVRM, Trb. 1952, 80 (EP). De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep op deze artikelen verworpen en appellants beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard. In hoger beroep is namens appellant wederom een beroep gedaan op genoemde bepalingen. De Raad overweegt in de eerste plaats dat gedaagde besluit 1 heeft ingetrokken en op 20 juli 2005 een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen (hierna: besluit 2), waarbij appellants bezwaar tegen het primaire besluit gegrond is verklaard en zijn uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 november 2000 is ingetrokken. Nu met besluit 2 wijziging is gebracht in besluit 1 en dit besluit niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet komt, zal de Raad, op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de onderhavige procedure tevens een oordeel geven over besluit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.