03/2955 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 16 februari 2001 heeft appellant geweigerd om aan gedaagde een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat gedaagde na afloop van de wachttijd per 1 maart 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Bij besluit van 13 juni 2002 heeft appellant het door gedaagde tegen het besluit van 16 februari 2001 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan gedaagde met ingang van 1 maart 1999 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tevens heeft appellant de door gedaagde in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand vergoed. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 8 mei 2003, nr. WAO 02/1923, het tegen het besluit van 13 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, alsmede bepaald dat appellant aan gedaagde het griffierecht vergoedt en appellant veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van € 322,-. Appellant heeft, op bij aanvullend beroepschrift van 10 juli 2003 (met bijlagen) aangevoerde gronden, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Namens gedaagde heeft mr. J.P. Vandervoodt, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift d.d. 29 juli 2003 ingediend. Appellant heeft bij brief van 9 augustus 2005 een tweetal vragen van de Raad beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde – met voorafgaand bericht – niet is verschenen. II. MOTIVERING De rechtbank heeft de vraag of het bestreden besluit in rechte in stand kon blijven, ontkennend beantwoord. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien te twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant, gelet op gedaagdes melding van toegenomen klachten per 1 februari 1999 en het bepaalde in artikel 43a van de WAO, terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde heeft vastgesteld per 1 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.