E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/1660 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 18 februari 2003 heeft gedaagde appellante ervan in kennis gesteld dat zij op en na 17 februari 2003 niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en dat zij met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Bij besluit van 8 april 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 17 februari 2004 (reg.nr.: AWB 03/956) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 3 oktober 2005 een nader stuk in het geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 november 2005, waar appellante is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. H. Nuijens, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht heeft besloten om aan appellante met ingang van 17 februari 2003 geen uitkering ingevolge de Ziektewet meer toe te kennen, omdat zij op en na die datum niet (meer) ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid. De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts C.P. van Deventer en de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers, zoals vervat in de rapportages van 12 februari 2003 en 7 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.