04/3522 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te Hoensbroek, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Door appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 mei 2004, nr. AWB 03/1723 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Bij brief van 27 augustus 2004 heeft gedaagde nadere stukken ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en waar gedaagde, na voorafgaand bericht, niet is verschenen. II. MOTIVERING Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Gedaagde is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die liep van 26 januari 2002 tot 20 december 2002, als enig werknemer van [naam werkgever], handelend onder de naam [naam bedrijf], werkzaam geweest als dakdekker. Hij is op 15 oktober 2002 op staande voet ontslagen omdat hij op die dag niet op het werk is verschenen, en de werkgever dit heeft aangemerkt als werkweigering. Met een brief van 6 november 2002 heeft gedaagde zich bij zijn werkgever tegen het ontslag verweerd. In die brief heeft gedaagde vermeld dat hij sinds 13 oktober 2002 arbeidsongeschikt is en dat hij zich ziek heeft gemeld. Gedaagde heeft niet in rechte geageerd tegen het ontslag. Tussen partijen staat vast en uit het dossier blijkt dat gedaagde in de periode van 13 oktober 2002 tot 13 februari 2003 wegens ziekte niet in staat was tot het verrichten van werk. Gedaagde heeft met ingang van 13 februari 2003 een WW-uitkering aange-vraagd die bij het bestreden besluit is geweigerd. Bij besluit van 25 maart 2003 zijn voorschotten verstrekt die bij het bestreden besluit zijn teruggevorderd. Appellant stelt zich blijkens het bestreden besluit naar aanleiding van door hem bij de voormalige werkgever ingewonnen informatie op het standpunt dat gedaagde zich zodanig heeft gedragen dat zelfs als hij niet tussentijds zou zijn ontslagen, de arbeids-overeenkomst met ingang van 20 december 2002 niet zou zijn verlengd, terwijl dit bij goed functioneren wel het geval zou zijn geweest. Gedaagde zou meerdere malen -zo ook op 13 oktober 2002- zonder opgaaf van redenen niet op zijn werk zijn verschenen, zou niet goed functioneren en zou zijn gedrag niet hebben verbeterd ondanks het feit dat hij herhaalde malen is gewaarschuwd. Bij het thans bestreden besluit van 29 oktober 2003 is het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 10 juni 2003 tot blijvend gehele weigering van een WW-uitkering met ingang van 13 februari 2003 en terugvordering van de over de periode van 13 februari 2003 tot en met 2 mei 2003 verstrekte voorschotten op de WW-uitkering ten bedrage van € 2.111,17 bruto ongegrond verklaard onder wijziging van de motivering. Aan het bestreden besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich zo heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Gedaagde betwist de juistheid van de door de werkgever verstrekte informatie en stelt dat hij zich destijds telefonisch bij zijn werkgever heeft ziek gemeld. Volgens gedaagde is er sprake van verstoorde familieverhoudingen (de echtgenote van de werkgever is een nicht van gedaagde) waardoor de werkgever hem kwijt wilde. Het namens gedaagde ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij voormelde uitspraak van de rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank betwijfelde, gelet op de stukken, waaronder een memo van het Uwv van 6 (lees: 26) augustus 2003 waaruit was af te leiden dat gedaagde zich op 14 oktober 2002 bij het Uwv heeft ziekgemeld, of gedaagde op 15 oktober 2002 niet ziek was maar werk heeft geweigerd, zoals zijn werkgever heeft gemeend. Naar het oordeel van de rechtbank stond dus onvoldoende vast of gedaagde als gevolg van aan hem te verwijten gedragingen werkloos is geworden en had appellant dit nader behoren te onderzoeken. Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep aangevochten. Appellant heeft aangevoerd dat onderzoek naar eventuele arbeidsongeschiktheid van gedaagde op 15 oktober 2002 niet nodig was, omdat de WW-uitkering eerst met ingang van 13 februari 2003 is aangevraagd en omdat niet wordt getwijfeld aan gedaagdes arbeidsongeschiktheid per genoemde datum. Slechts het achterwege laten van een ziekmelding bij zijn werkgever wordt gedaagde verweten. De Raad overweegt het volgende. De Raad leidt uit de stukken af, dat de aanleiding tot het ontslag van gedaagde door zijn werkgever is geweest het zonder enig bericht niet verschijnen van gedaagde op het werk op 15 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.