04/2932 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Door appellant is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen onder nummer 03/946 WW op 16 april 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 2 november 2005, waar appellant, met bericht, niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe, medewerker bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding in aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellant, geboren in 1948, is in het genot van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2002 is appellant op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam geweest voor [naam werkgever] te [vestigingsplaats] in de functie van account manager. Appellant heeft op 10 juli 2002 een WW-uitkering per 1 juli 2002 aangevraagd. Bij besluit van 11 september 2002 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen onder de overweging dat appellant recht heeft op een volledige WAZ-uitkering. Het daartegen gerichte bewaar heeft gedaagde bij besluit van 8 november 2002 gegrond verklaard en appellant alsnog de gevraagde WW-uitkering toegekend. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellant, gelet op artikel 19, vierde lid, van de WW, verzekerd was voor de WW en om die reden recht had op een WW-uitkering. Gedaagde heeft daarbij tevens aangegeven dat de duur van de uitkering maximaal vijf jaar bedraagt. Gedaagde heeft bij besluit van 12 juni 2003 geconcludeerd dat de toekenning van de WW-uitkering ten onrechte was geschied omdat het ontvangen van een WAZ-uitkering niet toestaat dat een WW-uitkering wordt toegekend terwijl de uitzondering in artikel 19, vierde lid, van de WW niet op appellant van toepassing is. Om die reden heeft gedaagde de WW-uitkering ingetrokken. Gedaagde heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat appellant door het eerdere onjuiste besluit van 8 november 2002 verkeerd was geïnformeerd en heeft daarom een uitlooptermijn van zes maanden vanaf zijn kennisgeving d.d. 3 mei 2003 in acht genomen, hetgeen betekende dat de WW-uitkering per 5 november 2003 werd ingetrokken. De daartegen gerichte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 23 oktober 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW zoals dat artikel luidde ten tijde in geding, in de wet op te nemen en dat hij dient te profiteren van de wijziging van dat artikel per 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.