03/5464 WSF, 03/5496 WSF en 03/5497 WSF U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Door appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 6 december 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 september 2003, nrs. 02/1093, 02/1216 en 03/141. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een aantal stukken overgelegd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2005. Appellant is verschenen in persoon en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.E. Merema, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep. II. MOTIVERING Appellant heeft in de periode van september 1980 tot september 1988 Nederlands recht gestudeerd. Appellant heeft studiefinanciering ontvangen. Bij bericht van 6 januari 2002 heeft gedaagde aan appellant een overzicht van zijn schuld op 1 januari 2002 verstrekt. Appellant heeft bij brief van 14 januari 2002 tegen dit bericht een bezwaarschrift ingediend. Bij beslissing van 27 september 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat het bericht geen besluit bevat waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar kan worden ingediend. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank drie door appellant ingestelde beroepen, waaronder het door appellant tegen voormeld besluit van 27 september 2002 ingestelde beroep, ongegrond verklaard. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van de drie beroepen. Ter zitting heeft appellant het hoger beroep beperkt tot het onderdeel van de uitspraak van de rechtbank waarbij zijn beroep gericht tegen meergenoemd besluit van 27 september 2002 ongegrond is verklaard. Appellant heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat gedaagde bij zijn bericht van 6 januari 2002 heeft miskend dat het deel van de schuld dat bestaat uit het renteloos voorschot, per 1 januari 2002 niet meer verschuldigd is. Naar zijn mening is dit deel van de schuld per 1 januari 2002 van rechtswege vervallen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op een door het College van beroep studiefinanciering op 10 juli 1996, nr. WSF 20676293, te zijnen aanzien gedane uitspraak. Voorts heeft appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Naar zijn mening zijn er van de zijde van gedaagde - met name in een door mr. C. Bronda namens de directeur van de Informatie Beheer Groep ondertekend, te zijnen aanzien gegeven besluit op bezwaar van 1 juli 1994 - expliciete mededelingen gedaan op grond waarvan hij er op mocht vertrouwen dat zijn schuld in ieder geval per 1 januari 2002 zou zijn vervallen. De Raad overweegt als volgt. Het bericht van 6 januari 2002, waarbij aan appellant een overzicht van zijn schuld per 1 januari 2002 is verstrekt, heeft een beperkte strekking. Met dit bericht heeft gedaagde appellant een overzicht gegeven van hetgeen in 2001 is gewijzigd in de hoogte van de schuld als gevolg van door appellant gedane betalingen en wijzigingen die het gevolg zijn van de bijtelling van rente die verschuldigd is geworden. In het bericht is dit ook aangegeven. Onder het vetgedrukte kopje ”Waarom dit bericht?” is onder meer vermeld: ” Dit bericht geeft een overzicht van de lening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.