E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/5825 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen op 28 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. 03/82 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 3 juni 2004 gereageerd op een door appellant toegezonden verklaring van zijn fysiotherapeut. Appellant heeft zich diverse malen schriftelijk en per fax tot de Raad gewend. De griffier van de Raad heeft bij brieven van 2 september 2004, 22 september 2004, 19 oktober 2004 en 21 september 2005 gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. Th. Martens, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Gedaagde heeft appellant met ingang van 25 maart 1996 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 20 maart 2000 is appellant als chauffeur in dienst getreden van MTI te Assen. Gedaagde heeft met ingang van laatstgenoemde datum onder toepassing van artikel 44 van de WAO de WAO-uitkering uitbetaald als ware appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. In het kader van een vijfdejaarsherbeoordeling is appellant op 19 oktober 2001 onderzocht door de verzekeringsarts B. Bruins-Kibalenko die tot de conclusie kwam dat de psychische toestand van appellant duidelijk is verbeterd. Zij heeft een belastbaarheidsprofiel opgesteld, waarbij rekening is gehouden met het feit dat appellant nog enigszins beperkingen ondervindt voor zeer zware lichamelijke belasting, extreme tijdsdruk en omgaan met conflictueuze mensen. De arbeidsdeskundige H. Honken heeft functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 23%. Dienovereenkomstig is appellant bij brief van 11 december 2001 aangezegd dat met ingang van 11 februari 2002 zijn WAO-uitkering zal worden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. MTI heeft bij fax van 3 april 2002 gedaagde in kennis gesteld van het feit dat de Arbodienst heeft verzuimd appellant met ingang van 29 januari 2002 ziek te melden en appellant alsnog met ingang van laatstgenoemde datum ziek gemeld vanwege rugklachten. De verzekeringsarts A.R. van der Wal heeft appellant op 17 mei 2002 onderzocht en bij lichamelijk onderzoek geen duidelijk afwijkende bevindingen van de rug gevonden. In zijn rapport van 21 mei 2002 heeft hij verder overwogen dat de beperkingen zoals die zijn weergegeven in het belastbaarheidsprofiel van 19 oktober 2001 niet duidelijk zijn gewijzigd en dat appellant zijns inziens in staat is zijn werk te hervatten. Hij heeft appellant geadviseerd snel contact op te nemen met de Arbo-dienst om werkhervatting te bespreken en de problemen met de werkgever uit te spreken. Gedaagde heeft bij besluit van 28 mei 2002 geweigerd tot 3 april 2002 ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) uit te betalen vanwege de te late ziekmelding. Bij besluit van 26 juni 2002 heeft gedaagde meegedeeld dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per 29 januari 2002 niet is toegenomen en bij besluit van 14 augustus 2002 heeft gedaagde geweigerd ziekengeld toe te kennen naar aanleiding van de ziekmelding per 29 januari 2002, omdat appellant reeds over de maximale uitkeringstermijn van 52 weken ziekengeld zou hebben ontvangen. Appellant heeft tegen de besluiten van 26 juni 2002 en 14 augustus 2002 een bezwaarschrift ingediend. Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 29 oktober 2002 de beslissing van 14 augustus 2002 ingetrokken, alsnog beslist dat appellant op 29 januari 2002 niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en geen recht heeft op ziekengeld. Vanwege onduidelijkheid over de periode van 29 januari 2002 tot en met 11 augustus 2002 heeft gedaagde besloten het ziekengeld over de periode van 18 mei 2002 tot en met 11 augustus 2002 te betalen, waarbij is opgemerkt dat de periode van 29 januari 2002 tot 18 mei 2002 door de werkgever is betaald. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer het dossier bestudeerd en appellant gezien tijdens de hoorzitting. In zijn rapport van 11 december 2002 heeft Dreijer aangegeven dat er tijdens de bezwaarprocedure geen nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen waardoor een ander beeld van de situatie is ontstaan en dat hij derhalve geen reden heeft om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts. Hij heeft verder overwogen dat de psychische problematiek is ontstaan in de loop van oktober 2002, dus ruim na de beëindiging van de ZW-uitkering in augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.