04/889 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. J. de Groot, rechtskundig adviseur te Koog aan de Zaan, op bij beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 28 januari 2004 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. Awb 03-1111 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Op 7 november 2005 heeft mr. De Groot, voornoemd, een rapport van de psychiater J. Doorn van 1 juli 2004 ingezonden. In reactie hierop heeft gedaagde op 10 november 2005 een rapport van de bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn van 9 november 2005 ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 november 2005, waar appellant - zoals was aangekondigd - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar hetgeen de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak bij punt 2.1 heeft vermeld. De Raad volstaat in dit verband met vermelding van het volgende. Per 7 februari 2003 heeft appellant zich ziek gemeld wegens spanningsklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, en een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant is op 26 februari 2003 onderzocht door verzekeringsarts G.W.F. Bergkamp, die appellant per 2 maart 2003 geschikt heeft geacht voor zijn arbeid. Vervolgens heeft gedaagde bij een ongedateerd besluit aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 2 maart 2003 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn, na appellant telefonisch te hebben gehoord en inlichtingen te hebben ingewonnen bij de huisarts van appellant, op 17 juni 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellant spanningsklachten heeft, die evenwel niet zijn veranderd ten opzichte van 4 december 2002, per welke datum de WAO-uitkering van appellant laatstelijk is beoordeeld. Volgens Coehoorn zijn in het kader van de WAO-beoordeling voldoende beperkingen aangenomen in verband met de psychische klachten en hartklachten van appellant en was hij op 2 maart 2003 in staat om de hem in het kader van de WAO voorgehouden functies te vervullen. Bij besluit van 24 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en de door deze getrokken conclusies gevolgd. Evenals in eerste aanleg heeft appellant in hoger beroep naar voren gebracht dat hij ongeschikt was voor zijn arbeid als gevolg van zijn psychische klachten en hartklachten. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant een expertiserapport ingebracht van de psychiater J. Doorn van 1 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.