05/2009 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], verblijvende op de Filipijnen, domicilie gekozen hebbende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem op 30 maart 2005 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. AWB 05/23 (hierna: de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft [vader gedaagde], vader van gedaagde en wonende te [woonplaats], een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 2 november 2005, waar appellant is verschenen bij mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en waar gedaagde is verschenen bij haar gemachtigde, [vader gedaagde] voornoemd. II. MOTIVERING Aan de gedingstukken en de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van 2 april 2004 heeft appellant gedaagde meegedeeld dat (een deel van) de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) die gedaagde over de periode van 1 augustus 2003 tot en met 31 oktober 2003 heeft ontvangen, onverschuldigd is betaald, dat een bedrag van € 1.627,45 aan teveel betaalde uitkering van haar wordt teruggevorderd en dat dit bedrag binnen 30 dagen na dagtekening van het besluit moet zijn overgemaakt, tenzij binnen 14 dagen na dagtekening van dat besluit om een betalingsregeling is verzocht. Op 10 mei 2004 heeft appellant gedaagde schriftelijk medegedeeld dat het bovengenoemde bedrag nog niet was ontvangen en dat dit voor 1 juni 2004 diende te worden betaald. Onder deze brief is de zogenoemde bezwaarclausule opgenomen, inhoudende dat binnen zes weken na dagtekening van die brief bezwaar kon worden gemaakt. Op 26 mei 2004 is door appellant het namens gedaagde ingediende bezwaarschrift gedateerd 22 mei 2004 ontvangen. Bij het thans bestreden besluit van 29 november 2004 heeft appellant het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift (tegen het besluit van 2 april 2004) te laat is ingediend en van een verschoonbare reden daarvoor geen sprake is. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daartoe -samengevat- overwogen dat gedaagde de termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 2 april 2004 niet in acht heeft genomen, maar dat, nu gedaagde -die niet was voorzien van professionele rechtsbijstand- wat betreft de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt door de brief van appellant van 10 mei 2004 op het verkeerde been is gezet, deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Appellant keert zich in hoger beroep tegen dit oordeel van de rechtbank en voert aan dat onder het besluit van 2 april 2004 de rechtsmiddelenclausule stond vermeld, zodat het voor zowel gedaagde als voor haar vader van meet af aan duidelijk had moeten zijn dat tegen dit besluit alleen binnen de termijn van 6 weken na 2 april 2004 bezwaar gemaakt kon worden. De Raad overweegt als volgt. Allereerst merkt de Raad op dat hij evenals de rechtbank en gedaagde van oordeel is dat het bezwaarschrift van gedaagde, gedateerd 22 mei 2004, was gericht tegen het besluit van appellant van 2 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.