03/5851 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 28 oktober 2003 onder kenmerk 01/434 WAO 06 tussen partijen gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brieven van 29 september 2005 en 17 november 2005 nadere stukken in het geding gebracht. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 25 november 2005, waar partijen -gedaagde met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende feiten. Appellante heeft haar werk als operator kitting and assembly in dienst van [naam werkgever] met ingang van 25 juni 1999 wegens psychische klachten gestaakt. Bij besluit van 21 februari 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2000 waarbij haar is geweigerd na ommekomst van de wettelijke wachttijd op 23 juni 2000 een arbeidsongeschikt- heidsuitkering toe te kennen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% is. Op verzoek van de rechtbank heeft de zenuwarts H.A. Hoefsloot een geneeskundig onderzoek ingesteld. Deze deskundige heeft in zijn rapport van 14 november 2001 vermeld dat hij niet tot een goede beoordeling komen kan doordat het niet goed mogelijk is een anamnese af te nemen. De medewerking door appellante aan zijn onderzoek “imponeert als gering”. Haar gedrag tijdens zijn onderzoek beschrijft hij als theatraal, afhankelijk, regressief, ontwijkend en ontkennend, waarbij soms de indruk ontstaat dat sprake is van een psychotisch toestandsbeeld. De diagnose kan hij niet met zekerheid stellen, maar als meest waarschijnlijke mogelijkheid oppert de deskundige dat sprake is van simulatie. Als dat niet het geval is, is sprake van een ernstige psychiatrische ziekte. Om die mogelijkheid uit te sluiten, heeft de deskundige appellante een voortgezet onderzoek op de polikliniek psychiatrie voorgesteld. Dat voorstel is door appellante afgewezen. De deskundige Hoefsloot acht een nader (neuro-)psychiatrisch onderzoek in een academisch ziekenhuis aangewezen. In overeenstemming met dat advies heeft de rechtbank een vervolgonderzoek opgedragen aan prof. dr. F.G. Zitman, psychiater te Leiden. Ten dienste van dit onderzoek is besloten appellante ingaande 7 november 2002 drie tot vier weken ter observatie in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen. Dit is met haar tijdens het eerste onderdeel van het onderzoek besproken en op 29 oktober 2002 schriftelijk bevestigd. Daags voor de opname heeft appellante wegens ziekte afgebeld. Begin december 2002 vond opnieuw een gesprek plaats over de geplande observatie, omdat appellante te kennen had gegeven geen opname te willen. Haar werd bedenktijd gegeven tot 10 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.