04/533 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante] , wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2003, nummer AWB 02/3522 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2005, waar appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante was 30 uur per week werkzaam als schoonmaakster. Zij is op 3 augustus 1992 uitgevallen met klachten aan haar rechterschouder en nadien met psychische klachten en schildklierklachten. Met ingang van 26 oktober 1993 heeft gedaagde appellante in het genot gesteld van uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), zulks naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 8 januari 1998 heeft appellante gedurende 15 uur per week hervat in werkzaamheden als peuterleidster. Onder toepassing van artikel 44 van de WAO heeft gedaagde appellantes uitkering in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van laatstgenoemde datum betaald naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 20 april 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellante met ingang van 18 juni 2001 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is. Namens appellante heeft mr. Hoebba, voornoemd, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagde van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de medische beoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onjuist zou zijn dan wel dat de beperkingen van appellante onjuist zouden zijn vastgesteld. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat haar beperkingen vanwege gedaagde zijn onderschat en dat er voldoende aanleiding is voor haar een urenbeperking vast te stellen. Tevens is namens appellante aangevoerd dat gedaagde bij het bepalen van appellantes resterende verdiencapaciteit van een onjuiste maatman is uitgegaan. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Inzake de medische grondslag van het bestreden besluit oordeelt de Raad als volgt. De Raad overweegt dat Koek blijkens haar rapportage van 15 april 2002 bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante kennis droeg van de brief van de longarts R.P. van Steenwijk van 5 maart 1998, waarin deze rapporteert dat er bij appellante sprake is van snurken en grote tonsillen, doch niet van apnoes. Van Steenwijk concludeert tot een Upper Airway Resistance Syndrome (UARS). Hij adviseert gewichtsvermindering en raadpleging van een keel-, neus- en oorarts ten einde de mogelijkheden van behandeling van de bovenste luchtweg door te nemen, waarbij onder meer valt te denken aan een tonsillectomie. Voorts droeg Koek kennis van het in de bezwaarprocedure overgelegde journaaloverzicht van appellantes huisarts H.J.P.N. Land, betrekking hebbend op de periode van 15 september 1986 tot december 2001, waaruit blijkt van een depressie in de periode van 1992 tot 1994, waarvoor een psychiater is geraadpleegd, en nadien van klachten van diverse aard, waaronder nerveuze klachten in mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.