03/6472 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 november 2003, nummer AWB 03/347 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 december 2005, waar voor appellant is verschenen de heer A.W.G. Determan en waar namens gedaagde -zoals tevoren was bericht- niemand is verschenen. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiser, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: "Eiser is op 6 september 2001 uitgevallen voor zijn werk als taxibuschauffeur. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser op 5 september 2002, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, waardoor hij niet langer geschikt is voor het verrichten van de eigen arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor hem geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmanloon levert volgens verweerder geen verlies aan verdiencapaciteit op. Eiser is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet in staat is om zijn eigen werk als taxibus-chauffeur te verrichten. Eiser acht zich wel degelijk in staat om zijn eigen werk te doen. Er zijn geen medische belemmeringen om een auto te besturen, omdat er immers geen neurologische (of andere) afwijkingen zijn geconstateerd, aldus eiser. Ter zitting heeft hij gesteld dat het einde van de wachttijd niet op 5 september 2002 maar op 15 november 2002 zou vallen. Op 26 juni 2002 is eiser door verzekeringsarts I. Eygür onderzocht. Deze arts heeft informatie ingewonnen bij de behandelend neuroloog van eiser. Tevens heeft deze arts telefonisch overleg gepleegd met de Arbo-arts, die de verzekeringsarts heeft geïnformeerd over bij eiser afgenomen reactiewaarnemingstesten. Vervolgens heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld met als beperking ondermeer dat eiser niet geschikt is om beroepsmatig te chaufferen. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts M. Keus aan de hand van de door eiser naar voren gebrachte medische bezwaren de bevindingen van de verzekeringsarts beoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met dossieronderzoek en gesteld dat de belastbaarheid van eiser, zoals weergegeven in de FML correct is weergegeven. Er is geen aanleiding om de rijgeschiktheid van eiser verder te laten onderzoeken, aldus de bezwaarverzekeringsarts." De rechtbank komt vervolgens tot het oordeel dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overwegende dat: "Uit de stukken en de gegeven motivering volgt niet hoe verweerder tot zijn standpunt is gekomen dat eiser niet geschikt is voor zijn eigen werk. Noch verweerder, noch diens (bezwaar-)verzekeringsarts, beschikte over een rapportage van de waarnemingstesten die door hetzij de werkgever zelf, hetzij de Arbo-dienst van de werkgever - verweerder kan niet duidelijk aangeven welke van beide - zijn afgenomen. Verweerder is dus geheel afgegaan op de summiere gegevens van de werkgever, wiens laatstelijk ingewonnen standpunt dateerde van maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.