E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/4940 ANW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden, voorzover het de Sociale verzekeringsbank betreft. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Namens appellant heeft mr. H.D. Wind, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 augustus 2004, reg.nr. 03/3754 ANW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nog nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 6 december 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Wind, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.T.N. Keuper, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Tevens is gehoord de door appellant meegebrachte getuige [huidige partner ], de huidige partner van appellant. II. MOTIVERING Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant ontving sedert 1 maart 1988 een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welke uitkering met ingang van 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een door appellant bij wijzigingsformulier van 28 augustus 2000 gedane melding dat hij met ingang van 17 juli 1998 samenwoont met [huidige partner ] (hierna: [betrokkene]) aan het [adres], heeft gedaagde de Anw-uitkering van appellant met ingang van 1 september 2000 geschorst en een onderzoek ingesteld naar de samenwoning. Vervolgens heeft gedaagde naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek, voorzover in dit geding van belang, bij besluit van 26 september 2002 de Anw-uitkering van appellant met ingang van 1 november 1997 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant en [betrokkene] met ingang van 16 oktober 1997 een gezamenlijke huishouding voeren. Bij besluit van 7 augustus 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2003 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant zijn in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat hij eerst met ingang van 17 juli 1998 is gaan samenwonen met [betrokkene] en dat de rechtbank en gedaagde zich ten onrechte op de door hem op 20 juli 2001 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen hebben gebaseerd, aangezien het een onder druk afgelegde, onjuiste verklaring betreft waarvan hij later is teruggekomen. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw - voorzover hier van belang - eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van een hulpbehoevende. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamelijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ten aanzien van de aan te houden ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding overweegt de Raad als volgt. Op 20 juli 2001 is appellant, nadat hem de cautie was verleend, van 9.30 uur tot 14.45 uur gehoord door twee sociaal rechercheurs ten kantore van de Sociale Verzekeringsbank. Aan het opgemaakte proces-verbaal, dat op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed is opgemaakt en is ondertekend ontleent de Raad het volgende: “(…) [J.] (lees: [betrokkene]) kocht [adres 2] op 16 oktober 1997 en is daar nagenoeg direct met haar kinderen ingetrokken. Het was een kleine woning maar er moest wel het een en ander aan gebeuren. Overdag werkte ik bij mijn baas maar uit mijn werk ging ik direct naar [J.] om daar te klussen. Vanaf haar intrek in de woning ben ik bij [J.] blijven slapen en ging vanuit haar woning naar mijn baas. De eerste weken had ik alleen het hoog nodige bij [J.] maar daarna ben ik het meeste van mijn kleding gaan overbrengen. Vanaf toen at ik bij [J.], douchte mij daar, zij deed mijn bewassing en ik keek daar televisie. Kortom, ik woonde daar en op de [adres 3] kwam ik alleen nog voor de post en om de boel op orde te houden. Mijn meubilair was niets meer waard en is later bijna geheel als grofvuil opgehaald. Mijn zoon sliep nog op de [adres 3] en daarom kon ik die woning nog niet wegdoen. (…) Ik heb bij de vraag “Samenwonen” als datum van wijziging 17/07/1998 ingevuld. Deze datum is niet juist, dat moet 01/11/1997 zijn, vanaf deze datum woon ik samen met [J.]. Ik geef toe dat de datum die ik in eerste instantie heb genoemd, niet juist is. (…) Ik erken dat ik vanaf oktober 1997 met [J.] en haar kinderen een gezinsleven voer. Wij zorgen goed voor elkaar en delen sindsdien lief en leed. (…) U heeft mij netjes en naar behoren behandeld. Ik ben voldoende in de gelegenheid geweest de tekst van mijn verklaring op enkele punten aan te passen. Ik wil nog zeggen dat ik best begrip heb dat u af en toe flink lastig naar mij was als ik zaken niet kon verklaren maar ik vind dat u mij tof heeft behandeld. (…) Ik wil de komende dagen nog eens goed alles overdenken en misschien bel ik u nog wel op als ik iets wil herzien of toevoegen (…).”. Appellant heeft deze verklaring, na doorlezing, ondertekend, maar in een later stadium de juistheid daarvan weer betwist. De Raad ziet echter geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een eerste tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis toekomt. Uit de verklaring blijkt dat appellant deze heeft doorgelezen, aanvullende opmerkingen heeft kunnen maken en vervolgens heeft getekend. De Raad ziet dan ook geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat de verklaring van appellant niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk is afgelegd of anderszins in essentie onjuist zou zijn. Ook hetgeen appellant hierover ter zitting naar voren heeft gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Hierbij neemt de Raad nog in aanmerking dat appellant eerst bij bezwaarschrift van 7 november 2001 is teruggekomen van zijn verklaring en tevens dat appellant, zoals ter zitting is bevestigd, geen klacht heeft ingediend over het optreden van de sociale recherche tijdens het verhoor op 20 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.