E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/696 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 12 december 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 januari 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Gedaagde heeft het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 25 april 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank Dordrecht heeft door mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 25 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 19 december 2003, reg.nr. AWB 03/501, ongegrond verklaard. De gemachtigde van appellante heeft op bij beroepschrift, met bijlage, aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft van verweer gediend en heeft vervolgens op 5 juli 2004 een nader verzekeringsgeneeskundig rapport van 28 juni 2004 en op 24 januari 2005 een nader arbeidskundig rapport van 14 januari 2005 ingezonden. Op dit verzekeringsgeneeskundig rapport heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 10 februari 2005 gereageerd. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 9 mei 2005 een nadere arbeidskundige toelichting van 4 mei 2005 op het bestreden besluit ingezonden. De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 15 november 2005 nadere medische stukken overgelegd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 december 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.C.M. Huyzer, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante was werkzaam als keukenassistente gedurende 28,67 uur per week, toen zij zich op 3 maart 1997 ziek meldde met rechter voetklachten. Afgaande op het bestreden besluit genoot appellante laatstelijk met ingang van 20 december 2001 vanwege toegenomen klachten als gevolg van een doorgemaakte CVA in december 2000 een uitkering ingevolge de WAO, welke - evenals de aan appellante in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd na haar ziekmelding op 3 maart 1997 met ingang van 2 maart 1998 verstrekte WAO-uitkering - werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De verzekeringsarts R.G. Goedhard heeft appellante naar aanleiding van haar melding van toegenomen klachten op 2 november 2001 onderzocht, in zijn rapport van 21 januari 2002 het beloop van haar klachten na het doormaken van CVA in december 2000 beschreven en bij zijn onderzoek opgetekend dat er geen sprake meer was van een heftig dystrofisch beeld van het rechter onderbeen, zoals eerder was vastgesteld. Van lichamelijk onderzoek zag Goedhard af in verband met zijn voornemen appellante door een zenuwarts te laten onderzoeken. Dit onderzoek is op 11 april 2002 verricht door de zenuwarts Prof.dr. E.J. Colon. In zijn rapport van 15 april 2002 beschrijft Colon, hetgeen trouwens ook in de diverse in het dossier aanwezige verzekeringsgeneeskundige rapporten naar voren komt, dat de klachten aan de rechtervoet ontstaan zijn na een val in maart 1997 en dat deze klachten zich in de loop van 1999, nadat het aangepaste administratieve werk van laatstelijk 10 uur per week door haar werkgever begin januari 1999 was beëindigd, hebben uitgebreid naar haar linker been en arm, almede de nek en het gezicht. Bij zijn lichamelijk onderzoek vond Colon aan het gezicht geen afwijkingen en bij het onderzoek naar kracht en motoriek nam hij geen duidelijke asymmetrieën en ook geen atrofie waar. Voorts waren er bij het psychiatrisch onderzoek geen aanwijzingen voor een cognitieve, stemmings-, psychotische of angststoornis. Volgens Colon zijn, afgezien van de lichte resttoestand na de CVA, de als invaliderend gepresenteerde somatische klachten van appellante niet herleidbaar tot aantoonbare somatische stoornissen en zijn er ook geen aanwijzingen voor een somatoforme of nagebootste stoornis. Ten slotte gaf Colon aan dat, voor zover het gedrag van appellante zou kunnen worden toegeschreven aan een persoonlijkheidsstoornis, deze geen beperkingen voor het verrichten van loonvormende arbeid inhoudt omdat appellante in het verleden heeft aangetoond stabiel loonvormende arbeid te kunnen verrichten. Buiten de lichte resttoestand na de CVA zijn er volgens Colon geen beperkingen aan te geven voor de uitoefening door appellante van het eigen werk of arbeid in het algemeen. Vervolgens heeft Goedhard in zijn rapport van 9 oktober 2002 in lijn met de bevindingen van Colon vastgesteld dat appellante slechts zeer gering beperkt belastbaar zou kunnen worden geacht ten aanzien van het gebruik van haar linker been en arm. In de door hem opgestelde (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 oktober 2002 heeft Goedhard echter tevens rekening gehouden met het gegeven dat appellante in verband met haar klachten al langer beperkt is geacht. Op basis van de FML en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 30 oktober 2002 heeft de arbeidsdeskundige M.L.Vlaander blijkens zijn rapport van 7 november 2002 aan appellante drie functies voorgehouden en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 6,32%. Vervolgens nam gedaagde het primaire besluit van 12 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.