04/1041 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. E.E.M. Messink, advocaat te Wijchen, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 19 januari 2004 onder kenmerk 02/2434 WAO door de rechtbank Arnhem gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 27 september 2004 en 10 november 2005 heeft appellant nadere stukken toegezonden. Bij brief van 22 oktober 2004 heeft gedaagde een nader stuk toegezonden. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Messink en waar namens gedaagde is verschenen J. de Graaf, werkzaam bij het Uwv. Als tolk was aanwezig B. Kosanovic. II. MOTIVERING Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, die sedert 5 september 2000 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 9 april 2002 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat de uitkering per 10 juni 2002 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na hiertegen door appellant gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 8 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) zijn eerdere besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft zich met de medische en arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit kunnen verenigen en het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en heeft, onder verwijzing naar brieven van 14 november 2003 en 19 augustus 2004 van zijn behandelend reumatologe Barrera Rico, aangevoerd dat ten onrechte geen urenbeperking in verband met zijn ochtendstijfheid is aangebracht en voorts dat de overschrijdingen in de belastbaarheid onvoldoende zijn gemotiveerd. In geding is de vraag of het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden juist is. De Raad overweegt als volgt. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit bevatten de in hoger beroep aangevoerde grieven geen nieuwe gezichtspunten. Zij kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank dat de medische beperkingen van appellant op de juiste wijze zijn vastgesteld. Daarbij wijst de Raad erop dat zich onder de gedingstukken een brief bevindt van de behandelend reumatologe Barrera Rico van 17 mei 2002, dus van één maand voor de in de in geding zijnde datum, waarin geen melding wordt gemaakt van ochtendstijfheid van appellant. Deze ochtendstijfheid wordt ook niet vermeld in de beide hiervoor vermelde brieven van Barrera Rico van latere datum en wordt eerst gedocumenteerd in van de zijde van appellant overgelegde “Terugrapportage naar aanleiding aanvraag CWI” van 31 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.