03/6449 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante] (voorheen: [appellante]), gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 19 november 2002 heeft gedaagde aan [naam voormalig werknemer], voormalig werknemer bij appellante (hierna: de werknemer), met ingang van 5 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 april 2003 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 11 november 2003, reg. nr. AWB 03/612 WAO, het beroep tegen het besluit van 16 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Namens appellante is mr. H.M. Kruitwagen, advocaat te Arnhem, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Kruitwagen voornoemd heeft hierop een reactie gegeven en een nader stuk ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde een in het dossier ontbrekend stuk ingezonden. De werknemer heeft desgevraagd aan de Raad medegedeeld niet als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen. Voorts heeft hij daarbij geen toestemming gegeven om zijn medische gegevens ter kennisname van appellante te brengen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 december 2005, waar voor appellante zijn verschenen mr. K. Mous, kantoorgenoot van mr. Kruitwagen voornoemd, J.J.W. Mulder, als personeelsfunctionaris werkzaam bij appellante, en drs. M.C.J. Klop, medisch adviseur. Namens gedaagde is verschenen T. Hollander, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De werknemer is met ingang van 12 augustus 1991 in dienst getreden bij appellante. Hij was werkzaam als productiemedewerker acrylaatglasplaten. Bij een bedrijfsongeval heeft hij letsel aan zijn linkerhand opgelopen, als gevolg waarvan hij zich op 10 juli 1999 heeft ziekgemeld. Aan hem is met ingang van 10 juli 2000 een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Per 2 oktober 2000 is de mate van arbeidsonge- schiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Per die datum heeft de werknemer zijn werkzaamheden in een aangepaste functie hervat. Per 1 maart 2001 is de WAO-uitkering ingetrokken omdat hij in staat werd geacht zijn inkomsten duurzaam te verwerven. Op 8 januari 2002 is de werknemer opnieuw uitgevallen voor zijn werkzaamheden, nu als gevolg van pijnklachten in de rechterarm. Bij besluit van 19 november 2002 is aan hem per 5 februari 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 43a van de WAO. In dit artikel is onder meer bepaald dat een verkorte wachttijd van vier weken geldt voor de toekenning van een WAO-uitkering, als er binnen vijf jaar na de intrekking van een eerder toegekende WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid sprake is van een toename van de arbeids- ongeschiktheid die voortvloeit uit dezelfde oorzaak als de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het besluit van 19 november 2002 gehandhaafd. Namens appellante is bestreden dat er sprake is van een zelfde oorzaak voor de toegenomen arbeidsongeschiktheid. Volgens appellante hebben de rechterarmklachten geen enkele relatie met het letsel aan de linkerhand waarvoor de werknemer eerder een WAO-uitkering ontving. De WAO-uitkering is per 1 maart 2001 ingetrokken omdat de werknemer was hersteld en weer duurzaam geschikt voor zijn werkzaamheden. De rechterarmklachten zouden ook zijn ontstaan als het ongeval niet had plaatsgevonden. Daarom had geen toepassing mogen worden gegeven aan artikel 43a van de WAO, maar had de normale wachttijd van een jaar in acht moeten worden genomen. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en heeft daarbij verwezen naar jurisprudentie van deze Raad waaruit blijkt dat het buiten twijfel moet staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. Indien er geen andere ziekteoorzaak kan worden aangewezen moet het voordeel van de twijfel aan de verzekerde worden gegeven. Met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen is de Raad van oordeel dat niet gesteld kan worden dat het buiten twijfel is dat de uitval van de werknemer op 8 januari 2002 een andere oorzaak had dan de uitval op 10 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.