03/3864 WAO + 03/3865 AAWAO + 05/3786 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 8 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit 1) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 januari 2000, waarbij de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 februari 2000 is geschorst. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 27 april 2005, nr. AWB 03/3110 WAO, het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Namens appellant is mr. H.J.P. van Erp, advocaat te Uden, van die uitspraak op bij aanvullend hoger beroepschrift van 15 juni 2005 met bijlagen aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 26 april 2002 (hierna: bestreden besluit 2) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 september 2000, waarbij gedaagde heeft besloten de inkomsten van appellant uit arbeid met ingang van 1 december 1990 in mindering te brengen op de uitkering van appellant ingevolge de WAO en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 19 juni 2003, nr. AWB 02/1381 en 02/1382, het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten. Namens appellant is mr. Van Erp, voornoemd, van die uitspraak op bij hoger beroepschrift van 31 juli 2003 aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 27 mei 2005 heeft gedaagde desgevraagd stukken ingezonden. Bij brieven van 17 maart 2005, 28 september 2005 en 7 november 2005 heeft appellant nadere stukken ingezonden. Bij brief van 21 september 2005 heeft gedaagde desgevraagd een reactie op de brief met bijlagen van appellant van 17 maart 2005 ingezonden. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 22 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Erp en M.W.J. van den Hurk, bedrijfsadviseur, en waar namens gedaagde is verschenen mr. L.G.A. Poort, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant ontving sedert 17 maart 1987 een AAW/WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, nadat hij als project manager arbeidsongeschikt was geworden als gevolg van psychosomatische klachten. In 1988 en 1989 heeft appellant met de arbeidsdeskundige besproken dat hij doende was activiteiten te ontplooien, gericht op het verrichten van werkzaamheden en het verwerven van inkomsten. In dat verband heeft hij een adviesbureau BMC opgericht. De arbeidsdeskundige heeft hem voorgelicht over de werking van de kortingsartikelen. Op 13 juli 1992 heeft appellant aan een medewerker van de buitendienst verteld dat het adviesbureau nooit helemaal van de grond was gekomen en dat hij daar niets aan verdiende. In 1992, 1993 en 1994 heeft appellant tegen betaling diensten geleverd aan de [naam Stichting] ([naam Stichting]), welke stichting met ingang van 1 januari 1994 de naam [naam Stichting]-centrum draagt. Vanaf begin 1994 verrichtte hij tegen betaling werkzaamheden voor de [naam B.V.] Naar aanleiding van een melding van de Economische Controledienst over inkomsten van appellant is een onderzoek ingesteld door gedaagdes afdeling opsporing. Van het onderzoek is een rapport, gedateerd 1 mei 1997, opgemaakt. Gedaagde heeft naar aanleiding daarvan de uitkering met ingang van 1 januari 1998 geschorst. In 1998 is een nader onderzoek gestart naar de aard van de inkomsten van appellant. In augustus 1999 is de betaling van de uitkering hervat. Schorsing Bij besluit van 27 januari 2000 is de betaling van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 februari 2000 geheel geschorst onder verwijzing naar het lopende onderzoek naar de inkomsten. Nadat gedaagde het bezwaar van appellant tegen dat besluit op 26 april 2002 niet-ontvankelijk had verklaard en de rechtbank op 19 juni 2003 dat besluit op bezwaar had vernietigd, heeft gedaagde bij bestreden besluit 1 het bezwaar ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat in januari 2000 het opsporingsonderzoek nog niet was afgerond en dat er toen duidelijke aanwijzingen waren dan wel een gegrond vermoeden dat het recht op uitkering niet meer bestond dan wel dat recht op een lagere uitkering bestond. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard onder overweging dat er ten tijde van de besluitvorming voldoende grondslag was voor een dergelijk vermoeden, gelet op wat er toen op grond van het ingestelde onderzoek reeds bekend was over de door appellant verrichte werkzaamheden en ingediende declaraties. Aan de hervatting van de betalingen met ingang van augustus 1999 na de eerdere schorsing kan de rechtbank voor de onderhavige beoordeling niet de betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien, reeds omdat onduidelijk is welke redenen aan de opheffing van de eerdere schorsing ten grondslag hebben gelegen. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Ter aanvulling daarop voert hij aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgaat dat een tweede schorsing op basis van dezelfde feiten en omstandigheden die geleid hebben tot de eerste schorsing slechts mogelijk is na een uiterst zorgvuldige belangenafweging en een kenbare motivering van het betreffende besluit tot schorsing. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Dat gedaagde in 1999 de betaling van de uitkering heeft hervat, doet er niet aan af dat begin 2000 het onderzoek naar de aard van de inkomsten van appellant niet was afgerond, hetgeen aan appellant bekend kon zijn, en dat op dat moment aan de voorwaarden voor het nemen van een besluit tot schorsing van de betaling was voldaan. Gedaagde heeft dit besluit terecht genomen en voldoende gemotiveerd. De aangevallen uitspraak van 27 april 2005 komt dan ook voor bevestiging in aanmerking. Korting Op 24 augustus 2000 hebben de wetstechnicus WAO R. van Oosterwijk en de arbeidsdeskundige P.A.M. de Bruin een rapport uitgebracht naar aanleiding van de vraag op welke wijze achteraf bekend geraakte verdiensten vanaf december 1990 moeten worden verrekend met de uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering. De conclusie van dat rapport luidt dat appellant zeker vanaf december 1990 inkomen uit arbeid heeft gehad, dat hij deze inkomsten niet spontaan kenbaar heeft gemaakt aan gedaagde dan wel zijn rechtsvoorgangster, dat hij de inkomsten op de door hem geretourneerde vragenformulieren uitdrukkelijk heeft verzwegen en dat hij daardoor valsheid in geschrifte heeft gepleegd. De inkomsten zijn volgens het rapport berekend op basis van een incomplete verzameling declaraties van adviesbureau BMC. Aan de hand daarvan heeft gedaagde de hoogte van de op grond van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO toe te passen korting over verschillende perioden na 1 december 1990 berekend. Bij het besluit van 14 september 2000 heeft gedaagde appellant bericht dat de AAW/WAO-uitkering onder toepassing van artikel 33 van de AAW en artikel 44 van de WAO met ingang van 1 december 1990 wordt verlaagd omdat appellant inkomsten uit arbeid ontvangt. De uitkering wordt op basis van die inkomsten gedurende verschillende in het besluit genoemde perioden naar verschillende arbeidsongeschiktheidspercentages uitbetaald. Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 januari 2002 ongegrond verklaard bij bestreden besluit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.