03/2195 AWBZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [erfgenaam], erfgenaam van [betrokkene], gewoond hebbend te [woonplaats], appellante, en Achmea Zorgverzekeringen N.V., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING [betrokkene] (hierna: betrokkene), die op 12 juni 2004 is overleden, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2003, reg.nr. 02/360 AWBZ. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 30 november 2005, waar beide partijen - met bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de in geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier, wat de feiten betreft, met het volgende. Betrokkene verbleef ten tijde in geding in de verpleeginrichting [naam verpleeginrichting] te [vestigingsplaats]. Het in beroep bestreden besluit van 15 november 2001 van gedaagde strekt tot handhaving van haar besluit van 20 augustus 2001, waarbij gedaagde de door betrokkene in verband met haar verblijf in [naam verpleeginrichting] verschuldigde eigen bijdrage Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) op basis van het Bijdragebesluit Zorg met ingang van 1 juli 2001 heeft vastgesteld op f. 3.385,10 per maand. In beroep heeft betrokkene tegen dit besluit aangevoerd dat bij de vaststelling van het aan de berekening van de eigen bijdrage ten grondslag liggende inkomen uit eigen vermogen ten onrechte de negatieve inkomsten uit een aan betrokkene in eigendom toebehorende woning (hierna: huisopbrengst) buiten beschouwing zijn gelaten. Bij besluit van 8 november 2002 is gedaagde teruggekomen op het besluit van 15 november 2001 en is de door betrokkene verschuldigde eigen bijdrage AWBZ per 1 juli 2001 vastgesteld op € 1.371,91 per maand. Bij de vaststelling van deze eigen bijdrage heeft gedaagde rekening gehouden met de negatieve huisopbrengst. Bij brieven van 8 december 2002 en 21 januari 2003 heeft betrokkene de rechtbank meegedeeld in te kunnen stemmen met de herziene eigen bijdrage per 1 juli 2001 en heeft zij de rechtbank verzocht te bepalen dat gedaagde ook de eigen bijdrage AWBZ over de periode 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001 herziet. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de vaststelling van de eigen bijdrage AWBZ per 1 juli 2001 tussen partijen niet langer in geschil is en dat zij niet kan oordelen over de eigen bijdrage over de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001, omdat het bestreden besluit daar niet op ziet. In hoger beroep hebben betrokkene en appellante onder verwijzing naar artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betwist dat de rechtbank niet zou mogen oordelen over de eigen bijdrage over de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.