04/5910 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 oktober 2004, reg.nr. 03/663 NABW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en de Raad desgevraagd nadere informatie verstrekt. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20 december 2005, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Aan appellant, die de Turkse nationaliteit heeft, is bij besluit van 19 november 2002, in afwachting van de procedure omtrent zijn verblijfsvergunning, met ingang van 30 mei 2002 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Bij besluit van 17 februari 2003 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat zijn recht op bijstand met ingang van 19 februari 2003 wordt beëindigd op de grond dat uit schriftelijke informatie van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie van 13 februari 2003 is gebleken dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Bij besluit van 21 mei 2003 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 19 november 2002 en 17 februari 2003 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 mei 2003 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is terecht besloten tot verlening van bijstand met ingang van 30 mei 2002 nu niet is gebleken dat appellant op een eerdere datum dan 30 mei 2002 een aanvraag heeft ingediend. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellant geen verblijfsrecht ontleent aan Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Het beroep op artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) kan volgens de rechtbank evenmin slagen nu dit niet een ieder verbindende bepaling van een verdrag als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet is. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Met betrekking tot de ingangsdatum Appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat de uitkering met ingang van een eerdere datum dan 30 mei 2002 had moeten worden toegekend. Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 67 van de Abw wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandig-heden dat rechtvaardigen. De Raad ziet na de inwerkingtreding van artikel 68a van de Abw geen grond daarover wezenlijk anders te oordelen, zij het dat voor aanvraagdatum tevens meldingsdatum dient te worden gelezen (zie in dit verband de uitspraak van de Raad van 8 maart 2005, LJN AT0209). Appellant heeft op geen enkele wijze met stukken of anderszins onderbouwd dat hij zich eerder dan 30 mei 2002 bij het Centrum voor werk en inkomen heeft gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen. Ook anderszins is niet van bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan de bijstand op een eerdere datum dan 30 mei 2002 zou moeten ingaan. Gedaagde heeft de ingangsdatum van de bijstandsuitkering derhalve terecht vastgesteld op 30 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.