03/2420 WVG U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. H. Hartman, thans werkzaam bij Advocaten Zuid te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 april 2003, reg.nr. 2002/424 WVG. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 8 november 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Hartman en gedaagde door W. Savelbergh, werkzaam bij de gemeente Heerlen. II. MOTIVERING Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Heerlen (Verordening 1994) op 1 april 1994 ontving appellant, die in het bezit was van een eigen auto, ingevolge artikel P9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet op medische gronden van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds een financiële tegemoetkoming in zijn vervoerskosten, aangeduid als leefkilometervergoeding. Vanaf de inwerkingtreding van de Wvg en de Verordening 1994 heeft gedaagde aan appellant, met toepassing van de in Verordening 1994 opgenomen hardheidsclausule en in afwijking van het in de Verordening 1994 neergelegde zogenoemde primaat van het collectief vervoer, bij wege van overgangsbeleid een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een - forfaitaire - financiële tegemoetkoming van laatstelijk f 426,-- per kwartaal. Dit overgangsbeleid, dat op 1 januari 1997 zou aflopen, is in mei 1996 verlengd, in die zin dat het van toepassing blijft op de betrokkene aan wie voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wvg en de Verordening 1994 een leefkilometervergoeding was toegekend en die in het bezit was van een eigen auto. Daarbij is de mogelijkheid om gebruik te blijven maken van het overgangsbeleid gekoppeld aan het bezit en het gebruik van de auto waarvan het kenteken op 1 april 1996 op naam van de betrokkene stond geregistreerd. Het overgangsbeleid is uiteindelijk neergelegd in artikel 3.3, vierde lid, van de - met ingang van 6 oktober 2000 in werking getreden - Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Heerlen 2000 (Verordening 2000), welke bepaling haar (delegatie)grondslag vindt in artikel 24 van de Wvg. In het kader van een heronderzoek heeft appellant op 22 januari 2001 een vragenformulier ingevuld en daarbij aangegeven dat hij inmiddels in het bezit is en gebruik maakt van een andere auto dan de auto waarvan het kenteken op 1 april 1996 op zijn naam stond geregistreerd. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde bij besluit van 13 juli 2001 de tegemoetkoming van f 426,-- per kwartaal met ingang van 1 januari 2001 beëindigd. Daarbij is appellant, overeenkomstig de Verordening 2000, in aanmerking gebracht voor het gebruik van het systeem van collectief vervoer “Reisnet Parkstad Limburg” en is hem daarvoor een financiële tegemoetkoming toegekend van f 436,-- per jaar. Bij besluit van 7 februari 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juli 2001 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde verwezen naar adviezen van de GGD Oostelijk Zuid-Limburg van 4 juli 2001 en 29 november 2001, waarin is vermeld dat appellant medisch gezien niet in staat moet worden geacht gebruik te maken van het openbaar vervoer, maar wel van het collectief vervoer. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 7 februari 2002 ongegrond verklaard. Appellant heeft in hoger beroep - kort weergegeven - allereerst aangevoerd dat de wijziging van de vervoersvoorziening op de enkele grond dat een andere auto is aangeschaft, onrechtmatig is. In elk geval kan de wijziging van de vervoersvoorziening met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 naar de mening van appellant niet in stand kan blijven. Voorts is betoogd dat niet is voldaan aan de in artikel 6.5 van de Verordening 2000 neergelegde voorwaarden voor intrekking van een vervoersvoorziening. Ten slotte is naar voren gebracht dat appellant om medische redenen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer, zodat hij op grond van artikel 3.2, tweede lid, van de Verordening 2000 in verbinding met artikel 3.1, aanhef en onder c, van de Verordening 2000, rechtstreeks in aanmerking komt voor een individuele financiële tegemoetkoming in zijn vervoerskosten. De Raad kan appellant in deze grieven niet volgen. Gedaagde heeft aangegeven dat het overgangsbeleid tot stand is gebracht teneinde rekening te houden met het feit dat degenen die vóór 1 april 1994 een financiële tegemoetkoming ontvingen, mogelijkerwijs nog financiële verplichtingen hadden vanwege de aanschaf van een eigen auto. Aanvankelijk was de gedachte dat dit beleid zou (moeten) gelden tot 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.