03/5849 WAO + 05/5948 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. A. Khan, advocaat te Hoofddorp, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 21 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 03/1842 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Op 30 september 2005 en op 7 oktober 2005 heeft gedaagde naar aanleiding van vanwege de Raad gestelde vragen nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 december 2005, waar appellant - met bericht - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is werkzaam geweest als medewerker speelautomaten bij een speelhal. Op 28 augustus 1998 is hij uitgevallen wegens psychische klachten. Met ingang van 27 augustus 1999 is aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2001 heeft een herbeoordeling in het kader van de WAO plaatsgevonden. De verzekeringsarts J.M. van den Berk heeft appellant op 22 augustus 2001 onderzocht en heeft op dezelfde datum gerapporteerd dat nader onderzoek naar de aanhoudende psychische klachten van appellant geïndiceerd is. Vervolgens heeft de gezondheidszorgpsycholoog J.W.G.M. van Soest in opdracht van gedaagde appellant op 6 september 2001 onderzocht en vervolgens een expertiserapport uitgebracht. In dit rapport is vermeld dat appellant lijdt aan een ongedifferentieerde aanpassingsstoornis. Volgens Van Soest kan appellant weer integreren op de arbeidsmarkt. Hierbij is vermeld dat appellant beperkingen heeft met betrekking tot de aspecten 28B - dwingend werktempo, 28D - conflicterende functie-eisen, 28E - conflicthantering, 28H - verantwoordelijkheid/afbreukrisico en 28I - lawaai. De verzekeringsarts Van den Berk heeft op 4 oktober 2001 een rapport uitgebracht en een belastbaarheidspatroon opgesteld. In dit belastbaarheidspatroon zijn op psychisch vlak de door Van Soest aangegeven beperkingen opgenomen. Aan de hand van dit belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige E. Beemsterboer functies voor appellant geselecteerd. In het door Beemsterboer op 23 november 2001 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan deze functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 15 tot 25% moet worden gesteld. Bij besluit van 26 november 2001 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 24 januari 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In de bezwaarfase heeft op 25 maart 2003 een hoorzitting plaatsgevonden. Hierbij was onder meer de bezwaar- verzekeringsarts M. Keus aanwezig. Keus heeft in vervolg op de hoorzitting informatie bij de behandelend neuroloog ingewonnen. In het door Keus op 16 april 2003 uitgebrachte rapport is vermeld dat appellant lijdt aan een ongedifferen- tieerde aanpassingsstoornis, spierspanningshoofdpijn en een hoge bloeddruk. Volgens Keus is met de door appellant ondervonden beperkingen in het belastbaarheidspatroon van 4 oktober 2001 voldoende rekening gehouden. Bij besluit van 23 april 2003 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 november 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van dit besluit onderschreven. In hoger beroep heeft appellant, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat aan hem tijdens de gehouden hoorzitting is toegezegd dat hij de gelegenheid zou krijgen om nadere informatie van zijn huisarts en zijn behandelend psychiater in te brengen. Appellant heeft in dit verband naar voren gebracht dat de desbetreffende afspraak ten onrechte niet is opgenomen in het verslag van de hoorzitting en dat zijn gemachtigde gedaagde hier bij faxbericht van 11 april 2003 op heeft gewezen. Gedaagde heeft op deze fax niet gereageerd en heeft op 23 april 2003 een besluit op bezwaar genomen, zonder dat appellant vooraf de gelegenheid is geboden om de desbetreffende informatie in te brengen. Volgens appellant is hij door deze gang van zaken in zijn belangen geschaad, waarbij hij onder meer heeft opgemerkt dat gedaagde geen volledig beeld van zijn psychische klachten heeft gekregen. Volgens gedaagde is het niet gebleken dat de door appellant gestelde afspraak is gemaakt. Gedaagde heeft er voorts op gewezen dat appellant in de bezwaarfase een brief van de behandelend psychiater van 8 januari 2002 en een brief van de huisarts van 9 januari 2002 heeft ingebracht en dat de bezwaarverzekeringsarts van oordeel was dat, gezien de beschikbaarheid van deze informatie, alleen het inwinnen van informatie bij de behandelend neuroloog noodzakelijk was. In reactie op een vanwege de Raad gestelde vraag heeft gedaagde onder meer een besluit ingezonden van 30 september 2005 (hierna: besluit 2), waarbij de WAO-uitkering van appellant per 24 januari 2002 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Dit besluit was vergezeld van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen van 22 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.